remarVervoeging
remar betekent roeien.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
De imperfecte subjunctive van remar (remara/remase) wordt gebruikt voor hypothetische situaties of wensen uit het verleden.
Present Subjunctive
De tegenwoordige subjunctive van remar (reme, remes, etc.) wordt gebruikt na uitdrukkingen van twijfel, verlangen, emotie of onzekerheid.
Imperative
Negative Imperative
Negatieve commando's voor remar gebruiken de tegenwoordige subjunctive: no remes (jij), no reme (u), no rememos (wij), no reméis (jullie), no remen (zij/u allen).
Imperative
Remar-commando's: rema (jij), reme (u), rememos (wij), remad (jullie), remen (zij/u allen).
Indicative
Conditional
De conditioneel van remar is regelmatig: remaría, remarías, remaría, remaríamos, remaríais, remarían.
Preterite
De preteritum van remar is regelmatig: remé, remaste, remó, remamos, remasteis, remaron.
Imperfect
De imperfectum van remar is regelmatig: remaba, remabas, remaba, remábamos, remabais, remaban.
Present
De tegenwoordige indicatief van remar is regelmatig: remo, remas, rema, remamos, remáis, reman.
Future
De toekomende tijd van remar is regelmatig: remaré, remarás, remará, remaremos, remaréis, remarán.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng remar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'remar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent remar in het Spaans?
remar betekent "roeien".
Is remar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
remar is een regular -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je remar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van remar is: yo remo, tú remas, él/ella/usted rema, nosotros remamos, vosotros remáis, ellos/ellas/ustedes reman.
Hoe vervoeg je remar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van remar is: yo remé, tú remaste, él/ella/usted remó, nosotros remamos, vosotros remasteis, ellos/ellas/ustedes remaron.
