restarVervoeging
restar means aftrekken.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
De imperfectum conjunctief van 'restar' is regelmatig: restara, restaras, restara, restáramos, restarais, restaran.
Present Subjunctive
De tegenwoordige conjunctief van 'restar' gebruikt '-e' uitgangen: reste, restes, reste, restemos, restéis, resten.
Imperative
Negative Imperative
De negatieve imperatief van 'restar' gebruikt de tegenwoordige conjunctief: no restes, no reste, no restemos, no restéis, no resten.
Imperative
De affirmatieve imperatief van 'restar' geeft commando's: resta, reste, restemos, restad, resten.
Indicative
Conditional
De conditioneel van 'restar' is regelmatig: restaría, restarías, restaría, restaríamos, restaríais, restarían.
Preterite
'Restar' is regelmatig in de verleden tijd: resté, restaste, restó, restamos, restasteis, restaron.
Imperfect
De imperfectum van 'restar' volgt het standaard '-aba' patroon: restaba, restabas, restaba, restábamos, restabais, restaban.
Present
De tegenwoordige tijd van 'restar' is regelmatig: resto, restas, resta, restamos, restáis, restan.
Future
De toekomende tijd van 'restar' wordt gevormd door uitgangen aan het hele werkwoord toe te voegen: restaré, restarás, restará, restaremos, restaréis, restarán.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng restar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'restar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent restar in het Spaans?
restar betekent "aftrekken".
Is restar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
restar is een regular -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je restar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van restar is: yo resto, tú restas, él/ella/usted resta, nosotros restamos, vosotros restáis, ellos/ellas/ustedes restan.
Hoe vervoeg je restar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van restar is: yo resté, tú restaste, él/ella/usted restó, nosotros restamos, vosotros restasteis, ellos/ellas/ustedes restaron.
