resucitarVervoeging
resucitar means weer tot leven wekken.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
De imperfect subjunctive van resucitar (resucitara/resucitaran) drukt hypothetische situaties in het verleden of wensen uit.
Present Subjunctive
De tegenwoordige subjunctive van resucitar (resucite, resuciten) wordt gebruikt voor wensen, twijfels en emoties.
Imperative
Negative Imperative
Gebruik 'no resucites' (jij) en 'no resucite' (u) voor ontkennende bevelen met resucitar.
Imperative
Gebruik 'resucita' (jij) en 'resucite' (u) voor directe bevelen met resucitar.
Indicative
Conditional
De conditioneel van resucitar (resucitaría, resucitarían) drukt hypothetische situaties ('zou') uit.
Preterite
De preterite van resucitar (resucité, resucitaste, resucitó) markeert voltooide acties in het verleden.
Imperfect
De imperfect van resucitar (resucitaba, resucitaban) beschrijft doorlopende of gewone acties in het verleden.
Present
De tegenwoordige tijd van resucitar (resucito, resucita) beschrijft huidige acties of algemene waarheden.
Future
De toekomende tijd van resucitar (resucitaré, resucitará) geeft acties aan die zullen plaatsvinden.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng resucitar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'resucitar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent resucitar in het Spaans?
resucitar betekent "weer tot leven wekken".
Is resucitar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
resucitar is een regular -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je resucitar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van resucitar is: yo resucito, tú resucitas, él/ella/usted resucita, nosotros resucitamos, vosotros resucitáis, ellos/ellas/ustedes resucitan.
Hoe vervoeg je resucitar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van resucitar is: yo resucité, tú resucitaste, él/ella/usted resucitó, nosotros resucitamos, vosotros resucitasteis, ellos/ellas/ustedes resucitaron.
