rociarVervoeging
rociar betekent spuiten.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
De verleden tijd van de aanvoegende wijs van 'rociar' is regelmatig: rociara, rociaras, rociara, rociáramos, rociarais, rociaran.
Present Subjunctive
De tegenwoordige tijd van de aanvoegende wijs van 'rociar' heeft accenten op de 'i' in de meeste vormen: rocíe, rocíes, rocíe, rociemos, rociéis, rocíen.
Imperative
Negative Imperative
De ontkennende gebiedende wijs van 'rociar' gebruikt de tegenwoordige tijd van de aanvoegende wijs: no rocíes, no rocíe, no rociemos, no rociéis, no rocíen.
Imperative
De gebiedende wijs van 'rociar' gebruikt rocía (tú), rocíe (usted), en rociad (vosotros) voor directe bevelen.
Indicative
Conditional
De voorwaardelijke wijs van 'rociar' is regelmatig: rociaría, rociarías, rociaría, rociaríamos, rociaríais, rociarían.
Preterite
De voltooid verleden tijd van 'rociar' is regelmatig: rocié, rociaste, roció, rociamos, rociasteis, rociaron.
Imperfect
De onvoltooid verleden tijd van 'rociar' is regelmatig: rociaba, rociabas, rociaba, rociábamos, rociabais, rociaban.
Present
De tegenwoordige tijd van 'rociar' volgt het -iar patroon waarbij de 'i' een accent krijgt (rocío, rocías, rocía, rocían), behalve in nosotros en vosotros.
Future
De toekomende tijd van 'rociar' is regelmatig: rociaré, rociarás, rociará, rociaremos, rociaréis, rociarán.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng rociar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'rociar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent rociar in het Spaans?
rociar betekent "spuiten".
Is rociar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
rociar is een regular with accent changes -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je rociar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van rociar is: yo rocío, tú rocías, él/ella/usted rocía, nosotros rociamos, vosotros rociáis, ellos/ellas/ustedes rocían.
Hoe vervoeg je rociar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van rociar is: yo rocié, tú rociaste, él/ella/usted roció, nosotros rociamos, vosotros rociasteis, ellos/ellas/ustedes rociaron.
