romperVervoeging
romper betekent breken.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Indicative
Present
De tegenwoordige tijd van 'romper' is regelmatig: rompo, rompes, rompe, rompemos, rompéis, rompen.
Future
De toekomende tijd van 'romper' is regelmatig: romperé, romperás, romperá, romperemos, romperéis, romperán.
Imperfect
De imperfectum van 'romper' is regelmatig: rompía, rompías, rompía, rompíamos, rompíais, rompían.
Conditional
De conditioneel van 'romper' is regelmatig: rompería, romperías, rompería, romperíamos, romperíais, romperían.
Preterite
De verleden tijd van 'romper' is regelmatig: rompí, rompiste, rompió, rompimos, rompisteis, rompieron.
Imperative
Negative Imperative
De negatieve imperatief van 'romper' gebruikt de tegenwoordige subjunctief: no rompas, no rompa, no rompamos, no rompáis, no rompan.
Imperative
De affirmatieve imperatief van 'romper': rompe (tú), rompa (usted), romped (vosotros), rompan (ustedes).
Subjunctive
Present Subjunctive
De tegenwoordige subjunctief van 'romper' is regelmatig: rompa, rompas, rompa, rompamos, rompáis, rompan.
Imperfect Subjunctive
De imperfectum subjunctief van 'romper' is regelmatig: rompiera, rompieras, rompiera, rompiéramos, rompierais, rompieran.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng romper van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'romper' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent romper in het Spaans?
romper betekent "breken".
Is romper een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
romper is een regular (except for past participle) -er werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je romper in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van romper is: yo rompo, tú rompes, él/ella/usted rompe, nosotros rompemos, vosotros rompéis, ellos/ellas/ustedes rompen.
Hoe vervoeg je romper in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van romper is: yo rompí, tú rompiste, él/ella/usted rompió, nosotros rompimos, vosotros rompisteis, ellos/ellas/ustedes rompieron.
