rozarVervoeging
rozar means schampen.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
De verleden tijd van de aanvoegende wijs van rozar is regelmatig: rozara, rozaras, rozara, rozáramos, rozarais, rozaran.
Present Subjunctive
De tegenwoordige tijd van de aanvoegende wijs van rozar gebruikt een 'c' in alle vormen: roce, roces, roce, rocemos, rocéis, rocen.
Imperative
Negative Imperative
Het ontkennende gebiedende wijs van rozar gebruikt altijd 'c': no roces, no roce, no rocéis, no rocen.
Imperative
Het gebiedende wijs van rozar gebruikt 'z' voor 'tú' (roza) en 'c' voor 'usted/ustedes' (roce/rocen).
Indicative
Conditional
De voorwaardelijke wijs van rozar is regelmatig: rozaría, rozarías, rozaría, rozaríamos, rozaríais, rozarían.
Preterite
De voltooid verleden tijd van rozar heeft een spellingswijziging in de 'yo'-vorm: rocé.
Imperfect
De onvoltooid verleden tijd van rozar is volledig regelmatig: rozaba, rozabas, rozaba, rozábamos, rozabais, rozaban.
Present
De tegenwoordige tijd van rozar is regelmatig: rozo, rozas, roza, rozamos, rozáis, rozan.
Future
De toekomende tijd van rozar is regelmatig: rozaré, rozarás, rozará, rozaremos, rozaréis, rozarán.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng rozar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'rozar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent rozar in het Spaans?
rozar betekent "schampen".
Is rozar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
rozar is een regular with spelling change -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je rozar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van rozar is: yo rozo, tú rozas, él/ella/usted roza, nosotros rozamos, vosotros rozáis, ellos/ellas/ustedes rozan.
Hoe vervoeg je rozar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van rozar is: yo rocé, tú rozaste, él/ella/usted rozó, nosotros rozamos, vosotros rozasteis, ellos/ellas/ustedes rozaron.
