significarVervoeging
significar betekent betekenen.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Indicative
Conditional
De conditionele tijd is regelmatig: significaría, significarías, significaría...
Present
De tegenwoordige tijd van significar is regelmatig: significo, significas, significa, significamos, significáis, significan.
Preterite
De verleden tijd van significar heeft een spellingverandering in de 'yo'-vorm: signifiqué.
Imperfect
De imperfecto van significar is regelmatig: significaba, significabas, significaba...
Future
De toekomende tijd is regelmatig, gevormd door het toevoegen van uitgangen aan het hele werkwoord: significaré, significarás...
Imperative
Imperative
De gebiedende wijs vormen voor significar worden zelden gebruikt, maar volgen standaardpatronen.
Negative Imperative
De ontkennende gebiedende wijs gebruikt altijd de vormen van de tegenwoordige subjunctief met 'no'.
Subjunctive
Present Subjunctive
De tegenwoordige subjunctief gebruikt de 'qu' spellingverandering: signifique, signifiques, signifique...
Imperfect Subjunctive
De imperfecto subjunctief is regelmatig: significara, significaras, significara...
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng significar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'significar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent significar in het Spaans?
significar betekent "betekenen".
Is significar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
significar is een regular (-car verb, sound change in some tenses) -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je significar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van significar is: yo significo, tú significas, él/ella/usted significa, nosotros significamos, vosotros significáis, ellos/ellas/ustedes significan.
Hoe vervoeg je significar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van significar is: yo signifiqué, tú significaste, él/ella/usted significó, nosotros significamos, vosotros significasteis, ellos/ellas/ustedes significaron.
