simularVervoeging
simular means doen alsof.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
De imperfect subjunctive van simular (simulara/simularas/simulara/simuláramos/simularais/simularan) wordt gebruikt voor hypothetische situaties en wensen in het verleden.
Present Subjunctive
De present subjunctive van simular (simule, simules, simule, simulemos, simuléis, simulen) wordt gebruikt na uitdrukkingen van twijfel, verlangen, emotie of onzekerheid.
Imperative
Negative Imperative
Negatieve bevelen voor simular gebruiken 'no' + present subjunctive: no simules (jij), no simule (u), no simulemos (wij), no simuléis (jullie - Spanje), no simulen (u - meervoud).
Imperative
Het imperatief van simular gebruikt 'simula' (jij), 'simule' (u), 'simulemos' (wij), 'simulad' (jullie - Spanje), 'simulen' (u - meervoud).
Indicative
Conditional
De conditional van simular is regelmatig: simularía, simularías, simularía, simularíamos, simularíais, simularían.
Preterite
De preterite van simular is regelmatig: simulé, simulaste, simuló, simulamos, simulasteis, simularon.
Imperfect
De imperfect van simular is regelmatig: simulaba, simulabas, simulaba, simulábamos, simulabais, simulaban.
Present
De present indicative van simular is regelmatig: simulo, simulas, simula, simulamos, simuláis, simulan.
Future
De future van simular is regelmatig: simularé, simularás, simulará, simularemos, simularéis, simularán.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng simular van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'simular' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent simular in het Spaans?
simular betekent "doen alsof".
Is simular een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
simular is een regular -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je simular in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van simular is: yo simulo, tú simulas, él/ella/usted simula, nosotros simulamos, vosotros simuláis, ellos/ellas/ustedes simulan.
Hoe vervoeg je simular in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van simular is: yo simulé, tú simulaste, él/ella/usted simuló, nosotros simulamos, vosotros simulasteis, ellos/ellas/ustedes simularon.
