sobrarVervoeging
sobrar betekent overblijven.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
De aanvoegende wijs onvoltooide verleden tijd van sobrar is regelmatig: sobrara, sobraras, sobrara, sobráramos, sobrarais, sobraran.
Present Subjunctive
De aanvoegende wijs tegenwoordige tijd van sobrar is regelmatig: sobre, sobres, sobre, sobremos, sobréis, sobren.
Imperative
Negative Imperative
De ontkennende gebiedende wijs van sobrar gebruikt de vormen van de aanvoegende wijs tegenwoordige tijd: no sobres, no sobre, no sobremos, no sobréis, no sobren.
Imperative
De bevestigende gebiedende wijs van sobrar is: sobra (tú), sobre (usted), sobremos (nosotros), sobrad (vosotros), sobren (ustedes).
Indicative
Conditional
De voorwaardelijke wijs van sobrar is regelmatig: sobraría, sobrarías, sobraría, sobraríamos, sobraríais, sobrarían.
Preterite
De verleden tijd van sobrar volgt de regelmatige -ar patronen: sobré, sobraste, sobró, sobramos, sobrasteis, sobraron.
Imperfect
De onvoltooide verleden tijd van sobrar gebruikt de regelmatige -aba uitgangen: sobraba, sobrabas, sobraba, sobrábamos, sobrabais, sobraban.
Present
De tegenwoordige tijd van sobrar is regelmatig: sobro, sobras, sobra, sobramos, sobráis, sobran.
Future
De toekomende tijd van sobrar wordt regelmatig gevormd door uitgangen aan het hele werkwoord toe te voegen: sobraré, sobrarás, sobrará.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng sobrar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'sobrar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent sobrar in het Spaans?
sobrar betekent "overblijven".
Is sobrar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
sobrar is een regular -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je sobrar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van sobrar is: yo sobro, tú sobras, él/ella/usted sobra, nosotros sobramos, vosotros sobráis, ellos/ellas/ustedes sobran.
Hoe vervoeg je sobrar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van sobrar is: yo sobré, tú sobraste, él/ella/usted sobró, nosotros sobramos, vosotros sobrasteis, ellos/ellas/ustedes sobraron.
