sobresalirVervoeging
sobresalir means opvallen.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
Gebruik verleden tijd conjunctief vormen zoals 'sobresaliera' (ik/hij/zij/u) voor hypothetische situaties of wensen in het verleden.
Present Subjunctive
Gebruik tegenwoordige tijd conjunctief vormen zoals 'sobresalga' (ik/hij/zij/u) na uitdrukkingen van twijfel, verlangen of emotie.
Imperative
Negative Imperative
Negatieve bevelen zoals 'no sobresalgas' (jij) gebruiken de tegenwoordige tijd van de conjunctief met 'no'.
Imperative
Gebruik gebiedende wijs vormen zoals 'sobresale' (jij) en 'sobresalgan' (jullie/u) voor directe bevelen.
Indicative
Conditional
Gebruik conditionele vormen zoals 'sobresaldría' (ik) en 'sobresaldrían' (zij/u allen) voor hypothetische uitkomsten of beleefde suggesties over opvallen.
Preterite
Gebruik voltooid verleden tijd vormen zoals 'sobresalí' (ik) en 'sobresalieron' (zij/u allen) voor voltooide acties van opvallen in het verleden.
Imperfect
Gebruik onvoltooid verleden tijd vormen zoals 'sobresalía' (ik/hij/zij/u) voor doorlopende of gebruikelijke acties van opvallen in het verleden.
Present
Gebruik tegenwoordige tijd vormen zoals 'sobresalgo' (ik) en 'sobresalen' (zij/u allen) voor acties die nu gebeuren of voor neigingen om op te vallen.
Future
Gebruik toekomende tijd vormen zoals 'sobresaldré' (ik) en 'sobresaldrán' (zij/u allen) om te praten over opvallen in de toekomst.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng sobresalir van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'sobresalir' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent sobresalir in het Spaans?
sobresalir betekent "opvallen".
Is sobresalir een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
sobresalir is een regular -ir werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je sobresalir in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van sobresalir is: yo sobresalgo, tú sobresales, él/ella/usted sobresale, nosotros sobresalimos, vosotros sobresalís, ellos/ellas/ustedes sobresalen.
Hoe vervoeg je sobresalir in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van sobresalir is: yo sobresalí, tú sobresaliste, él/ella/usted sobresalió, nosotros sobresalimos, vosotros sobresalisteis, ellos/ellas/ustedes sobresalieron.
