solarVervoeging
solar betekent zolen.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Indicative
Present
De tegenwoordige tijd indicatief van solar is regelmatig: solo, solas, sola, solamos, soláis, solan.
Future
De toekomende tijd van solar is regelmatig: solaré, solarás, solará, solaremos, solaréis, solarán.
Imperfect
De imperfectum van solar is regelmatig: solaba, solabas, solaba, solábamos, solabais, solaban.
Conditional
De conditioneel van solar is regelmatig: solaría, solarías, solaría, solaríamos, solaríais, solarían.
Preterite
De preteritum van solar is regelmatig: solé, solaste, soló, solamos, solasteis, solaron.
Imperative
Negative Imperative
Negatieve bevelen voor solar gebruiken de tegenwoordige tijd conjunctief: no soles (tú), no sole (usted), no soléis (vosotros), no solen (ustedes).
Imperative
Hetgebiedende wijs van solar is grotendeels regelmatig: sola (tú), sole (usted), solad (vosotros), solen (ustedes).
Subjunctive
Present Subjunctive
De conjunctief tegenwoordige tijd van solar is: sole (yo/usted), soles (tú), solemos (nosotros), soléis (vosotros), solen (ellos/ustedes).
Imperfect Subjunctive
De imperfectum conjunctief van solar heeft -ra en -se vormen, bv. solara, solaras, solara, soláramos, solarais, solaran.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng solar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'solar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent solar in het Spaans?
solar betekent "zolen".
Is solar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
solar is een regular -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je solar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van solar is: yo solo, tú solas, él/ella/usted sola, nosotros solamos, vosotros soláis, ellos/ellas/ustedes solan.
Hoe vervoeg je solar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van solar is: yo solé, tú solaste, él/ella/usted soló, nosotros solamos, vosotros solasteis, ellos/ellas/ustedes solaron.
