soplarVervoeging
soplar betekent blazen.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
De imperfecte aanvoegende wijs van 'soplar' (soplara/soplase) wordt gebruikt voor hypothetische situaties uit het verleden, wensen of beleefde verzoeken.
Present Subjunctive
De tegenwoordige tijd van de aanvoegende wijs van 'soplar' (sople, soples, soplemos, soplen, sopléis) volgt uitdrukkingen van twijfel, verlangen, emotie of onzekerheid.
Imperative
Negative Imperative
Negatieve commando's voor 'soplar' gebruiken de tegenwoordige tijd van de aanvoegende wijs (subjunctief): no soples (jij), no sople (u), no soplemos (wij), no soplen (jullie/zij), no sopléis (jullie - vosotros).
Imperative
Gebruik de gebiedende wijs van 'soplar' voor directe commando's: sopla (jij), sople (u), soplemos (wij), soplen (jullie/zij), soplad (jullie - vosotros).
Indicative
Conditional
De conditionele wijs van 'soplar' is regelmatig: soplaría, soplarías, soplaría, soplaríamos, soplaríais, soplarían.
Preterite
De preteritum van 'soplar' is regelmatig: soplé, soplaste, sopló, soplamos, soplasteis, soplaron.
Imperfect
De imperfectum van 'soplar' is regelmatig: soplaba, soplaba, soplaba, soplábamos, soplábais, soplaban.
Present
De tegenwoordige tijd van 'soplar' is regelmatig: soplo, soplas, sopla, soplamos, sopláis, soplan.
Future
De toekomende tijd van 'soplar' is regelmatig: soplaré, soplarás, soplará, soplaremos, soplaréis, soplarán.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng soplar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'soplar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent soplar in het Spaans?
soplar betekent "blazen".
Is soplar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
soplar is een regular -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je soplar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van soplar is: yo soplo, tú soplas, él/ella/usted sopla, nosotros soplamos, vosotros sopláis, ellos/ellas/ustedes soplan.
Hoe vervoeg je soplar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van soplar is: yo soplé, tú soplaste, él/ella/usted sopló, nosotros soplamos, vosotros soplasteis, ellos/ellas/ustedes soplaron.
