suavizarVervoeging
suavizar betekent verzachten.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
De verleden tijd van de aanvoegende wijs van suavizar is regelmatig: suavizara, suavizaras, suavizara, suavizáramos, suavizarais, suavizaran.
Present Subjunctive
De tegenwoordige tijd van de aanvoegende wijs van suavizar vereist een Z naar C verandering: suavice, suavices, suavice, suavicemos, suavicéis, suavicen.
Imperative
Negative Imperative
De ontkennende gebiedende wijs van suavizar gebruikt 'no' plus de vormen van de tegenwoordige tijd van de aanvoegende wijs: no suavices, no suavice, no suavicemos, no suavicen.
Imperative
De gebiedende wijs van suavizar gebruikt suaviza (tú) en suavice (usted/ustedes).
Indicative
Conditional
De voorwaardelijke wijs van suavizar is regelmatig: suavizaría, suavizarías, suavizaría, suavizaríamos, suavizaríais, suavizarían.
Preterite
De voltooid verleden tijd van suavizar heeft een spellingverandering in de 'yo'-vorm: suavicé, suavizaste, suavizó, suavizamos, suavizasteis, suavizaron.
Imperfect
De onvoltooid verleden tijd van suavizar is regelmatig: suavizaba, suavizabas, suavizaba, suavizábamos, suavizabais, suavizaban.
Present
De tegenwoordige tijd van suavizar is regelmatig: suavizo, suavizas, suaviza, suavizamos, suavizáis, suavizan.
Future
De toekomende tijd van suavizar is regelmatig: suavizaré, suavizarás, suavizará, suavizaremos, suavizaréis, suavizarán.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng suavizar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'suavizar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent suavizar in het Spaans?
suavizar betekent "verzachten".
Is suavizar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
suavizar is een regular with spelling change -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je suavizar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van suavizar is: yo suavizo, tú suavizas, él/ella/usted suaviza, nosotros suavizamos, vosotros suavizáis, ellos/ellas/ustedes suavizan.
Hoe vervoeg je suavizar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van suavizar is: yo suavicé, tú suavizaste, él/ella/usted suavizó, nosotros suavizamos, vosotros suavizasteis, ellos/ellas/ustedes suavizaron.
