sufrirVervoeging
sufrir betekent lijden.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Indicative
Present
De tegenwoordige tijd van 'sufrir' is regelmatig: sufro, sufres, sufre, sufrimos, sufrís, sufren.
Future
De toekomende tijd van 'sufrir' is regelmatig: sufriré, sufrirás, sufrirá, sufriremos, sufriréis, sufrirán.
Imperfect
De imperfectum van 'sufrir' is regelmatig: sufría, sufrías, sufría, sufríamos, sufríais, sufrían.
Conditional
De conditionele tijd van 'sufrir' is regelmatig: sufriría, sufrirías, sufriría, sufriríamos, sufriríais, sufrirían.
Preterite
De preteritum van 'sufrir' is regelmatig: sufrí, sufriste, sufrió, sufrimos, sufristeis, sufrieron.
Imperative
Negative Imperative
De negatieve imperatief van 'sufrir' gebruikt de present subjunctief: no sufras, no sufra, no suframos, no sufráis, no sufran.
Imperative
De affirmatieve imperatief van 'sufrir': sufre (tú), sufra (usted), sufrid (vosotros), sufran (ustedes).
Subjunctive
Present Subjunctive
De present subjunctief van 'sufrir' gebruikt de 'yo' stam met -a uitgangen: sufra, sufras, sufra, suframos, sufráis, sufran.
Imperfect Subjunctive
De imperfectum subjunctief van 'sufrir' volgt de 'ellos' preteritum stam: sufriera, sufrieras, sufriera, sufriéramos, sufrierais, sufrieran.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng sufrir van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'sufrir' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent sufrir in het Spaans?
sufrir betekent "lijden".
Is sufrir een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
sufrir is een regular -ir werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je sufrir in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van sufrir is: yo sufro, tú sufres, él/ella/usted sufre, nosotros sufrimos, vosotros sufrís, ellos/ellas/ustedes sufren.
Hoe vervoeg je sufrir in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van sufrir is: yo sufrí, tú sufriste, él/ella/usted sufrió, nosotros sufrimos, vosotros sufristeis, ellos/ellas/ustedes sufrieron.
