sumarVervoeging
sumar betekent optellen.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
De verleden tijd van de aanvoegende wijs van 'sumar' (sumara/sumase) wordt gebruikt voor hypothetische situaties uit het verleden of beleefde verzoeken.
Present Subjunctive
De tegenwoordige tijd van de aanvoegende wijs van 'sumar' (sume) wordt gebruikt na uitdrukkingen van twijfel, verlangen of emotie.
Imperative
Negative Imperative
Het ontkennende gebiedende wijs van 'sumar' gebruikt de tegenwoordige aanvoegende wijs: no sumes, no sume, no sumemos, no sumen, no suméis.
Imperative
Het gebiedende wijs van 'sumar' is regelmatig: suma, sume, sumemos, sumen, sumad.
Indicative
Conditional
De voorwaardelijke wijs van 'sumar' is regelmatig: sumaría, sumarías, sumaría, sumaríamos, sumaríais, sumarían.
Preterite
De voltooid verleden tijd van 'sumar' is regelmatig: sumé, sumaste, sumó, sumamos, sumasteis, sumaron.
Imperfect
De verleden tijd onvoltooid (imperfectum) van 'sumar' is regelmatig: sumaba, sumabas, sumaba, sumábamos, sumabais, sumaban.
Present
De tegenwoordige tijd van 'sumar' is regelmatig: sumo, sumas, suma, sumamos, sumáis, suman.
Future
De toekomende tijd van 'sumar' is regelmatig: sumaré, sumarás, sumará, sumaremos, sumaréis, sumarán.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng sumar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'sumar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent sumar in het Spaans?
sumar betekent "optellen".
Is sumar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
sumar is een regular -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je sumar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van sumar is: yo sumo, tú sumas, él/ella/usted suma, nosotros sumamos, vosotros sumáis, ellos/ellas/ustedes suman.
Hoe vervoeg je sumar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van sumar is: yo sumé, tú sumaste, él/ella/usted sumó, nosotros sumamos, vosotros sumasteis, ellos/ellas/ustedes sumaron.
