superarVervoeging
superar betekent overwinnen.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Indicative
Present
De tegenwoordige tijd is regelmatig: supero, superas, supera, superamos, superáis, superan.
Future
De toekomende tijd is regelmatig: superaré, superarás, superará, superaremos, superaréis, superarán.
Imperfect
Superar is regelmatig in de imperfectus: superaba, superabas, superaba, superábamos, superabais, superaban.
Conditional
De conditionele wijs is regelmatig: superaría, superarías, superaría, superaríamos, superaríais, superarían.
Preterite
De preteritum van superar is regelmatig: superé, superaste, superó, superamos, superasteis, superaron.
Imperative
Negative Imperative
Negatieve bevelen gebruiken de conjunctivus praesens: no superes, no supere, no superemos, no superéis, no superen.
Imperative
De affirmatieve imperatief is regelmatig: supera (tú), superad (vosotros), supere (usted), superen (ustedes).
Subjunctive
Present Subjunctive
De conjunctivus praesens is regelmatig: supere, superes, supere, superemos, superéis, superen.
Imperfect Subjunctive
De imperfectus conjunctivus is regelmatig: superara, superaras, superara, superáramos, superarais, superaran.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng superar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'superar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent superar in het Spaans?
superar betekent "overwinnen".
Is superar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
superar is een regular -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je superar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van superar is: yo supero, tú superas, él/ella/usted supera, nosotros superamos, vosotros superáis, ellos/ellas/ustedes superan.
Hoe vervoeg je superar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van superar is: yo superé, tú superaste, él/ella/usted superó, nosotros superamos, vosotros superasteis, ellos/ellas/ustedes superaron.
