teñirVervoeging
teñir means verven.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
De verleden tijd aanvoegende wijs gebruikt de stam 'tiñ-': tiñera, tiñeras, tiñera, tiñéramos, tiñerais, tiñeran.
Present Subjunctive
Teñir verandert de 'e' in een 'i' in alle vormen van de tegenwoordige aanvoegende wijs: tiña, tiñas, tiña, tiñamos, tiñáis, tiñan.
Imperative
Negative Imperative
Negatieve geboden voor teñir gebruiken de tegenwoordige aanvoegende wijs: no tiñas, no tiña, no tiñamos, no tiñáis, no tiñan.
Imperative
Geboden voor teñir gebruiken meestal de 'i' stam: tiñe (tú), teñid (vosotros), tiña (usted).
Indicative
Conditional
De voorwaardelijke wijs van teñir is regelmatig: teñiría, teñirías, teñiría, teñiríamos, teñiríais, teñirían.
Preterite
Teñir heeft een stamklinkerwisseling (e > i) alleen in de derde persoon vormen: teñí, teñiste, tiñó, teñimos, teñisteis, tiñeron.
Imperfect
De onvoltooide verleden tijd van teñir is regelmatig: teñía, teñías, teñía, teñíamos, teñíais, teñían.
Present
Teñir verandert 'e' in 'i' in alle vormen behalve nosotros en vosotros: tiño, tiñes, tiñe, teñimos, teñís, tiñen.
Future
De toekomende tijd van teñir is regelmatig: teñiré, teñirás, teñirá, teñiremos, teñiréis, teñirán.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng teñir van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'teñir' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent teñir in het Spaans?
teñir betekent "verven".
Is teñir een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
teñir is een irregular -ir werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je teñir in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van teñir is: yo tiño, tú tiñes, él/ella/usted tiñe, nosotros teñimos, vosotros teñís, ellos/ellas/ustedes tiñen.
Hoe vervoeg je teñir in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van teñir is: yo teñí, tú teñiste, él/ella/usted tiñó, nosotros teñimos, vosotros teñisteis, ellos/ellas/ustedes tiñeron.
