tenderVervoeging
tender means de was ophangen.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
De verleden tijd van de aanvoegende wijs is tendiera, tendieras, tendiera, tendiéramos, tendierais, tendieran.
Present Subjunctive
De tegenwoordige tijd van de aanvoegende wijs van 'tender' volgt de stamverandering: tienda, tiendas, tienda, tendamos, tendáis, tiendan.
Imperative
Negative Imperative
De negatieve gebiedende wijs gebruikt de aanvoegende wijs tegenwoordige tijd: no tiendas, no tienda, no tendamos, no tendáis, no tiendan.
Imperative
De gebiedende wijs vormen voor 'tender' zijn: tiende (tú), tienda (usted), tendamos (nosotros), tended (vosotros), tiendan (ustedes).
Indicative
Conditional
De voorwaardelijke wijs van 'tender' is regelmatig: tendería, tenderías, tendería, tenderíamos, tenderíais, tenderían.
Preterite
'Tender' is volledig regelmatig in de voltooid verleden tijd: tendí, tendiste, tendió, tendimos, tendisteis, tendieron.
Imperfect
De onvoltooid verleden tijd van 'tender' is regelmatig: tendía, tendías, tendía, tendíamos, tendíais, tendían.
Present
'Tender' is een stamveranderend werkwoord in de tegenwoordige tijd: de 'e' verandert in 'ie' in alle vormen behalve nosotros en vosotros.
Future
De toekomende tijd van 'tender' is regelmatig: tenderé, tenderás, tenderá, tenderemos, tenderéis, tenderán.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng tender van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'tender' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent tender in het Spaans?
tender betekent "de was ophangen".
Is tender een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
tender is een irregular (e to ie change) -er werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je tender in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van tender is: yo tiendo, tú tiendes, él/ella/usted tiende, nosotros tendemos, vosotros tendéis, ellos/ellas/ustedes tienden.
Hoe vervoeg je tender in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van tender is: yo tendí, tú tendiste, él/ella/usted tendió, nosotros tendimos, vosotros tendisteis, ellos/ellas/ustedes tendieron.
