tolerarVervoeging
tolerar means tolereren.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
De imperfectum conjunctief van tolerar is regelmatig: tolerara/tolerase, toleraras/tolerases, tolerara/tolerase, toleráramos/tolerásemos, tolerarais/toleraseis, toleraran/tolerasen.
Present Subjunctive
De tegenwoordige tijd conjunctief van tolerar is regelmatig: tolere, toleres, tolere, toleremos, toleréis, toleren.
Imperative
Negative Imperative
Negatieve bevelen gebruiken de tegenwoordige tijd conjunctief: no toleres (jij), no tolere (u), no toleremos (wij), no toleréis (jullie), no toleren (zij/u allen).
Imperative
Gebruik 'tolera' (jij), 'tolere' (u), 'toleremos' (wij), 'tolerad' (jullie), 'toleren' (zij/u allen) voor directe bevelen.
Indicative
Conditional
De conditioneel van tolerar is regelmatig: toleraría, tolerarías, toleraría, toleraríamos, toleraríais, tolerarían.
Preterite
De pretérito indefinido van tolerar is regelmatig: toleré, toleraste, toleró, toleramos, tolerasteis, toleraron.
Imperfect
De imperfectum van tolerar is regelmatig: toleraba, tolerabas, toleraba, tolerábamos, tolerabais, toleraban.
Present
De tegenwoordige tijd indicatief van tolerar is regelmatig: tolero, toleras, tolera, toleramos, toleráis, toleran.
Future
De futurum van tolerar is regelmatig: toleraré, tolerarás, tolerará, toleraremos, toleraréis, tolerarán.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng tolerar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'tolerar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent tolerar in het Spaans?
tolerar betekent "tolereren".
Is tolerar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
tolerar is een regular -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je tolerar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van tolerar is: yo tolero, tú toleras, él/ella/usted tolera, nosotros toleramos, vosotros toleráis, ellos/ellas/ustedes toleran.
Hoe vervoeg je tolerar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van tolerar is: yo toleré, tú toleraste, él/ella/usted toleró, nosotros toleramos, vosotros tolerasteis, ellos/ellas/ustedes toleraron.
