transcurrirVervoeging
transcurrir means verstrijken.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
De imperfecte aanvoegende wijs ('transcurriera' of 'transcurriera') wordt gebruikt voor hypothetische situaties in het verleden, wensen of onzekerheden.
Present Subjunctive
De tegenwoordige aanvoegende wijs ('transcurra') drukt wensen, twijfels, emoties en onzekerheid uit over het heden of de toekomst.
Imperative
Negative Imperative
Negatieve bevelen gebruiken 'no' + tegenwoordige aanvoegende wijs: 'no transcurras' (jij), 'no transcurra' (u), etc.
Imperative
Gebruik 'transcurre' (jij), 'transcurra' (u), 'transcurramos' (wij), 'transcurran' (jullie/u allen), 'transcurrid' (jullie) voor directe bevelen.
Indicative
Conditional
De conditionele wijs 'transcurriría' is voor hypothetische situaties ('zou'), beleefde verzoeken, of toekomst in het verleden.
Preterite
De voltooid verleden tijd van transcurrir is regelmatig: transcurrí, transcurriste, transcurrió, transcurrimos, transcurristeis, transcurrieron.
Imperfect
De onvoltooid verleden tijd 'transcurría' beschrijft doorlopende, gebruikelijke of achtergrondacties in het verleden.
Present
De tegenwoordige tijd 'transcurre' beschrijft lopende acties, gewoonten of algemene waarheden over het verstrijken van de tijd.
Future
De toekomende tijd 'transcurrirá' geeft toekomstige acties of waarschijnlijkheid over het verstrijken van de tijd aan.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng transcurrir van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'transcurrir' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent transcurrir in het Spaans?
transcurrir betekent "verstrijken".
Is transcurrir een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
transcurrir is een regular -ir werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je transcurrir in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van transcurrir is: yo transcurro, tú transcurres, él/ella/usted transcurre, nosotros transcurrimos, vosotros transcurrís, ellos/ellas/ustedes transcurren.
Hoe vervoeg je transcurrir in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van transcurrir is: yo transcurrí, tú transcurriste, él/ella/usted transcurrió, nosotros transcurrimos, vosotros transcurristeis, ellos/ellas/ustedes transcurrieron.
