traspasarVervoeging
traspasar means doorheen gaan.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
De imperfecte conjunctief ('traspasara' of 'traspasase') wordt gebruikt voor hypothetische situaties in het verleden, wensen of beleefde verzoeken.
Present Subjunctive
De tegenwoordige tijd van de conjunctief ('traspase', 'traspases', etc.) drukt wensen, twijfels, emoties of onzekerheid uit over huidige/toekomstige gebeurtenissen.
Imperative
Negative Imperative
Gebruik 'no traspases' (jij), 'no traspase' (u), 'no traspasemos' (wij), 'no traspaséis' (jullie), 'no traspasen' (zij/u allen) voor negatieve bevelen.
Imperative
Gebruik 'traspasa' (jij), 'traspase' (u), 'traspasemos' (wij), 'traspasad' (jullie), 'traspasen' (zij/u allen) voor directe bevelen.
Indicative
Conditional
De conditionele tijd van traspasar is regelmatig: traspasaría, traspasarías, traspasaría, traspasaríamos, traspasaríais, traspasarían.
Preterite
De preteritum van traspasar is regelmatig: traspasé, traspasaste, traspasó, traspasamos, traspasasteis, traspasaron.
Imperfect
De imperfectum van traspasar is regelmatig: traspasaba, traspasabas, traspasaba, traspasábamos, traspasabais, traspasaban.
Present
De tegenwoordige tijd van traspasar is regelmatig: traspaso, traspasas, traspasa, traspasamos, traspasáis, traspasan.
Future
De toekomende tijd van traspasar is regelmatig: traspasaré, traspasarás, traspasará, traspasaremos, traspasaréis, traspasarán.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng traspasar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'traspasar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent traspasar in het Spaans?
traspasar betekent "doorheen gaan".
Is traspasar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
traspasar is een regular -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je traspasar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van traspasar is: yo traspaso, tú traspasas, él/ella/usted traspasa, nosotros traspasamos, vosotros traspasáis, ellos/ellas/ustedes traspasan.
Hoe vervoeg je traspasar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van traspasar is: yo traspasé, tú traspasaste, él/ella/usted traspasó, nosotros traspasamos, vosotros traspasasteis, ellos/ellas/ustedes traspasaron.
