triunfarVervoeging
triunfar betekent slagen.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
De imperfecte conjunctief van triunfar (triunfara/triunfase) wordt gebruikt voor hypothetische situaties uit het verleden, wensen of beleefde verzoeken.
Present Subjunctive
De tegenwoordige conjunctief van triunfar (triunfe, triunfes, etc.) wordt gebruikt voor wensen, twijfels, emoties en onzekerheid.
Imperative
Negative Imperative
Negatieve bevelen voor triunfar gebruiken de tegenwoordige conjunctief: no triunfes (jij), no triunfe (u), no triunfemos (wij), no triunfen (jullie), no triunféis (jullie).
Imperative
Imperatief voor triunfar: triunfa (jij), triunfe (u), triunfemos (wij), triunfemos (jullie), triunfad (jullie).
Indicative
Conditional
De conditionele van triunfar (triunfaría, triunfarías, etc.) drukt hypothetisch succes uit ('zou slagen').
Preterite
De pretérito van triunfar is regelmatig: triunfé, triunfaste, triunfó, triunfamos, triunfasteis, triunfaron, en markeert voltooide successen uit het verleden.
Imperfect
De imperfecto van triunfar (triunfaba, triunfabas, etc.) beschrijft gewoontes uit het verleden of doorlopende situaties van succes.
Present
De tegenwoordige tijd van triunfar (triunfo, triunfas, triunfa, etc.) beschrijft huidig of gewoon succes.
Future
De toekomende tijd van triunfar (triunfaré, triunfarás, etc.) geeft toekomstig succes of waarschijnlijkheid aan.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng triunfar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'triunfar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent triunfar in het Spaans?
triunfar betekent "slagen".
Is triunfar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
triunfar is een regular -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je triunfar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van triunfar is: yo triunfo, tú triunfas, él/ella/usted triunfa, nosotros triunfamos, vosotros triunfáis, ellos/ellas/ustedes triunfan.
Hoe vervoeg je triunfar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van triunfar is: yo triunfé, tú triunfaste, él/ella/usted triunfó, nosotros triunfamos, vosotros triunfasteis, ellos/ellas/ustedes triunfaron.
