vacilarVervoeging
vacilar means plagen.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
Gebruik 'vacilara' of 'vacilase' voor hypothetische situaties in het verleden, wensen of beleefde verzoeken, zoals 'Als ik je plaagde...'
Present Subjunctive
Gebruik 'vacile' (ik/hij/zij/u) en 'vacilen' (zij/u allen) voor wensen, twijfels en emoties, zoals 'Ik hoop dat je me niet plaagt.'
Imperative
Negative Imperative
Gebruik 'no vaciles' (jij) en 'no vacilen' (jullie/u allen) voor negatieve bevelen, zoals 'plaag hem niet!'
Imperative
Gebruik het imperatief 'vacila' (jij) en 'vacilen' (jullie/u allen) voor directe bevelen zoals 'plaag hem!'
Indicative
Conditional
Gebruik de conditioneel 'vacilaría' (ik zou plagen) voor hypothetische situaties, beleefde verzoeken of toekomst in het verleden.
Preterite
Gebruik de preteritum 'vacilé' (ik plaagde), 'vacilaste' (jij plaagde), 'vaciló' (hij/zij/u plaagde) voor voltooide plaagacties in het verleden.
Imperfect
Gebruik de imperfectum 'vacilaba' (ik placht te plagen) voor gewoontes in het verleden of doorlopend plagen, zoals 'Hij plaagde me altijd.'
Present
Gebruik de tegenwoordige tijd 'vacilo' (ik plaag), 'vacilas' (jij plaagt), 'vacila' (hij/zij/u plaagt) voor huidig of gewoonteplagen.
Future
Gebruik de toekomende tijd 'vacilaré' (ik zal plagen) en 'vacilará' (hij/zij/u zal plagen) voor voorspellingen of definitieve toekomstige plaagacties.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng vacilar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'vacilar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent vacilar in het Spaans?
vacilar betekent "plagen".
Is vacilar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
vacilar is een regular -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je vacilar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van vacilar is: yo vacilo, tú vacilas, él/ella/usted vacila, nosotros vacilamos, vosotros vaciláis, ellos/ellas/ustedes vacilan.
Hoe vervoeg je vacilar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van vacilar is: yo vacilé, tú vacilaste, él/ella/usted vaciló, nosotros vacilamos, vosotros vacilasteis, ellos/ellas/ustedes vacilaron.
