visitarVervoeging
visitar betekent bezoeken.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Indicative
Present
Beschrijft huidige acties, gewoontes of algemene waarheden: 'visito' (ik bezoek), 'visitas' (jij bezoekt).
Future
Spreekt over toekomstige acties: 'visitaré' (ik zal bezoeken), 'visitarás' (jij zult bezoeken).
Imperfect
Beschrijft lopende of gebruikelijke acties in het verleden: 'visitaba' (ik bezocht/was aan het bezoeken).
Conditional
Drukt hypothetische situaties uit ('zou bezoeken') of beleefde verzoeken: 'visitaría' (ik zou bezoeken).
Preterite
Voltooide acties in het verleden: 'visité' (ik bezocht), 'visitaste' (jij bezocht), 'visitó' (hij/zij bezocht).
Imperative
Negative Imperative
Negatieve bevelen gebruiken de tegenwoordige tijd van de conjunctief met 'no', zoals 'no visites' (jij) en 'no visite' (u).
Imperative
Directe bevelen met 'visita' (jij) en 'visite' (u) zijn gebruikelijk.
Subjunctive
Present Subjunctive
Drukt wensen, twijfels of emoties uit, zoals 'Quiero que visites' (Ik wil dat je bezoekt).
Imperfect Subjunctive
Gebruikt voor hypothetische situaties of wensen in het verleden, zoals 'si visitara' (als ik zou bezoeken) of 'ojalá visitara' (ik wou dat ik zou bezoeken).
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng visitar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'visitar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent visitar in het Spaans?
visitar betekent "bezoeken".
Is visitar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
visitar is een regular -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je visitar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van visitar is: yo visito, tú visitas, él/ella/usted visita, nosotros visitamos, vosotros visitáis, ellos/ellas/ustedes visitan.
Hoe vervoeg je visitar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van visitar is: yo visité, tú visitaste, él/ella/usted visitó, nosotros visitamos, vosotros visitasteis, ellos/ellas/ustedes visitaron.
