volarVervoeging
volar betekent vliegen.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Indicative
Present
Volar heeft een stamklinkerwijziging van 'o' naar 'ue' in alle vormen behalve nosotros en vosotros.
Future
De toekomende tijd van volar is regelmatig: volaré, volarás, volará, volaremos, volaréis, volarán.
Imperfect
De imperfectum van volar is regelmatig: volaba, volabas, volaba, volábamos, volabais, volaban.
Conditional
De conditionele van volar is regelmatig: volaría, volarías, volaría, volaríamos, volaríais, volarían.
Preterite
De verleden tijd van volar is regelmatig: volé, volaste, voló, volamos, volasteis, volaron.
Imperative
Negative Imperative
De ontkennende gebiedende wijs gebruikt de tegenwoordige aanvoegende wijs: no vueles, no vuele, no volemos, no voléis, no vuelen.
Imperative
De gebiedende wijs gebruikt 'vuela' voor tú en 'vuele/n' voor formele bevelen, met de 'ue'-wijziging.
Subjunctive
Present Subjunctive
De aanvoegende wijs tegenwoordige tijd van volar heeft de stamklinkerwijziging 'o' naar 'ue', behalve in nosotros/vosotros.
Imperfect Subjunctive
De imperfectum aanvoegende wijs van volar is regelmatig: volara, volaras, volara, voláramos, volarais, volaran.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng volar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'volar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent volar in het Spaans?
volar betekent "vliegen".
Is volar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
volar is een irregular (e > ue stem change in the present tense) -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je volar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van volar is: yo vuelo, tú vuelas, él/ella/usted vuela, nosotros volamos, vosotros voláis, ellos/ellas/ustedes vuelan.
Hoe vervoeg je volar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van volar is: yo volé, tú volaste, él/ella/usted voló, nosotros volamos, vosotros volasteis, ellos/ellas/ustedes volaron.
