votarVervoeging
votar betekent stemmen.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Indicative
Present
De tegenwoordige tijd van 'votar' is volledig regelmatig: voto, votas, vota, votamos, votáis, votan.
Future
De futurum van 'votar' wordt gevormd door uitgangen toe te voegen aan het hele werkwoord: votaré, votarás, votará, votaremos, votaréis, votarán.
Imperfect
De imperfectum van 'votar' is regelmatig: votaba, votabas, votaba, votábamos, votabais, votaban.
Conditional
De conditionele van 'votar' is regelmatig: votaría, votarías, votaría, votaríamos, votaríais, votarían.
Preterite
De preteritum van 'votar' volgt het reguliere -ar patroon: voté, votaste, votó, votamos, votasteis, votaron.
Imperative
Negative Imperative
De negatieve imperatief gebruikt de tegenwoordige tijd subjunctief: no votes, no vote, no votéis, no voten.
Imperative
De affirmatieve imperatief geeft directe bevelen: vota (tú), vote (usted), votad (vosotros), voten (ustedes).
Subjunctive
Present Subjunctive
De tegenwoordige tijd subjunctief van 'votar' verandert de 'a' in een 'e': vote, votes, vote, votemos, votéis, voten.
Imperfect Subjunctive
De imperfectum subjunctief van 'votar' gebruikt de -ra uitgangen: votara, votaras, votara, votáramos, votarais, votaran.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng votar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'votar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent votar in het Spaans?
votar betekent "stemmen".
Is votar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
votar is een regular -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je votar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van votar is: yo voto, tú votas, él/ella/usted vota, nosotros votamos, vosotros votáis, ellos/ellas/ustedes votan.
Hoe vervoeg je votar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van votar is: yo voté, tú votaste, él/ella/usted votó, nosotros votamos, vosotros votasteis, ellos/ellas/ustedes votaron.
