pasará
“pasará” betekent “zal gebeuren” in het Spaans. Het heeft 3 verschillende betekenissen, afhankelijk van de context:
zal gebeuren, zal plaatsvinden
Ook: zal wel goed komen, (hij/zij/het/u) zal doormaken
📝 In Actie
¿Qué pasará si no llegamos a tiempo?
A1Wat gebeurt er als we niet op tijd aankomen?
Ella cree que el dolor pasará pronto.
A2Zij gelooft dat de pijn snel zal verdwijnen.
Dicen que la tormenta pasará en la noche.
B1Ze zeggen dat de storm vanavond overwaait.
zal passeren, zal oversteken
Ook: zal ingaan
📝 In Actie
La ambulancia pasará por esta calle en cinco minutos.
A2De ambulance zal over vijf minuten door deze straat rijden.
La pelota pasará la red si le pegas fuerte.
B1De bal zal over het net gaan als je er hard tegenaan slaat.
zal doorbrengen (tijd)

📝 In Actie
Usted pasará las vacaciones en España.
B1U zult de vakantie in Spanje doorbrengen.
Mi perro pasará mucho tiempo durmiendo mañana.
B1Mijn hond zal morgen veel tijd slapend doorbrengen.
🔄 Vervoegingen
indicative
present
imperfect
preterite
subjunctive
present
imperfect
Vertaal naar het Spaans
✏️ Snelle oefening
Snelle Quiz: pasará
Vraag 1 van 2
Welke Nederlandse vertaling past het beste bij de Spaanse zin: 'Creo que lo peor ya pasará.'
📚 Meer bronnen
👥 Woordfamilie▼
🎵 Rijmwoorden▼
📚 Etymologie▼
Komt van het Latijnse woord *passāre*, wat 'stappen' of 'lopen' betekent, wat zelf gerelateerd is aan *passus* (een stap). Deze wortel verklaart alle moderne betekenissen die te maken hebben met beweging, tijdsverloop en gebeurtenissen.
Eerste vermelding: 10th century
Cognaten (Verwante woorden)
💡 Beheers Spaans
Til je Spaans naar een hoger niveau. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen op jouw niveau met de Inklingo app!
Veelgestelde Vragen
Waarom betekent 'pasará' soms 'zal gebeuren' en soms 'zal passeren'?
De kern van 'pasar' is overgang of beweging. Wanneer toegepast op gebeurtenissen, beweegt de gebeurtenis van 'toekomst' naar 'verleden' (het gebeurt). Wanneer toegepast op objecten, beweegt het object langs een punt (het passeert). De context vertelt je welke betekenis bedoeld wordt.
Hoe weet ik of de spreker 'hij/zij' of 'u (beleefd)' bedoelt als ze 'pasará' zeggen?
Aangezien 'él' (hij), 'ella' (zij), en 'usted' (u beleefd) allemaal dezelfde werkwoordsvorm delen, moet je kijken naar de persoon of het onderwerp dat eerder in het gesprek wordt genoemd om te weten wie de actie uitvoert.


