Inklingo

hacían

ah-SEE-ahn/aˈθian/

ze deden vroeger, ze waren aan het doen

Ook: jullie deden vroeger
WerkwoordA1irregular er
Twee kinderen, een jongen en een meisje, staand in een groen park, worden midden in de beweging bevroren getoond terwijl ze herhaaldelijk een rode bal heen en weer gooien, wat een gewoonte in het verleden illustreert.
infinitivehacer
gerundhaciendo
past Participlehecho

📝 In Actie

Todos los veranos, mis abuelos hacían viajes largos.

A1

Elke zomer maakten mijn grootouders lange reizen.

Cuando llegué, ellos hacían la tarea en la biblioteca.

A2

Toen ik aankwam, waren zij hun huiswerk aan het maken in de bibliotheek.

Ustedes siempre hacían lo correcto, por eso los admiraban.

B1

Jullie deden altijd het juiste, daarom bewonderden ze jullie.

Woordverbindingen

Synoniemen

  • realizaban (ze waren aan het uitvoeren)
  • ejecutaban (ze waren aan het uitvoeren)

Veelvoorkomende Collocaties

  • hacían un buen trabajoze leverden goed werk
  • hacían ejercicioze waren aan het sporten

ze maakten vroeger, ze waren aan het maken

WerkwoordA1irregular er
Twee figuren zitten op een zandstrand, omringd door drie kleine, eenvoudige en identiek gevormde zandkastelen die ze net hebben voltooid, wat de gewoonte van het maken in het verleden illustreert.
infinitivehacer
gerundhaciendo
past Participlehecho

📝 In Actie

Los artesanos hacían las vasijas de barro con mucho cuidado.

A1

De ambachtslieden maakten de aardewerken potten met grote zorg.

Ellas hacían una torta cuando sonó el teléfono.

A2

Ze waren een taart aan het maken toen de telefoon ging.

Woordverbindingen

Synoniemen

  • creaban (ze waren aan het creëren)
  • fabricaban (ze waren aan het fabriceren)

Veelvoorkomende Collocaties

  • hacían planesze waren plannen aan het maken
  • hacían la cenaze waren het avondeten aan het maken

ze veroorzaakten, ze deden alsof

WerkwoordB1irregular er
Twee kleine figuren gieten voorzichtig water uit gieters op een kleine, levendige groene plant die duidelijk bloeit, wat aantoont dat hun inspanningen een positief effect veroorzaakten.
infinitivehacer
gerundhaciendo
past Participlehecho

📝 In Actie

Los chistes que contaban siempre hacían reír a la audiencia.

B1

De moppen die ze vertelden, lieten het publiek altijd lachen (veroorzaakten dat het publiek lachte).

Ustedes se hacían los dormidos para no ayudar.

B2

Jullie deden alsof jullie sliepen om niet te hoeven helpen. (Reflexieve vorm: 'hacerse')

Woordverbindingen

Synoniemen

  • provocaban (ze waren aan het provoceren)
  • fingían (ze waren aan het veinzen)

Veelvoorkomende Collocaties

  • hacían ruidoze maakten lawaai
  • hacían preguntasze stelden vragen

🔄 Vervoegingen

indicative

present

él/ella/ustedhace
yohago
haces
ellos/ellas/ustedeshacen
nosotroshacemos
vosotroshacéis

imperfect

él/ella/ustedhacía
yohacía
hacías
ellos/ellas/ustedeshacían
nosotroshacíamos
vosotroshacíais

preterite

él/ella/ustedhizo
yohice
hiciste
ellos/ellas/ustedeshicieron
nosotroshicimos
vosotroshicisteis

subjunctive

present

él/ella/ustedhaga
yohaga
hagas
ellos/ellas/ustedeshagan
nosotroshagamos
vosotroshagáis

imperfect

él/ella/ustedhiciera
yohiciera
hicieras
ellos/ellas/ustedeshicieran
nosotroshiciéramos
vosotroshicierais

✏️ Snelle oefening

Snelle Quiz: hacían

Vraag 1 van 1

Welke zin gebruikt 'hacían' correct om een voltooide actie te beschrijven die één keer plaatsvond?

📚 Meer bronnen

👥 Woordfamilie
🎵 Rijmwoorden
traíancaían
📚 Etymologie

'Hacer' komt van het Latijnse werkwoord *facere*, wat 'maken, doen of uitvoeren' betekende. Deze wortel gaf het Spaans een van zijn meest essentiële en veelzijdige werkwoorden.

Eerste vermelding: Before 10th century

Cognaten (Verwante woorden)

Portuguese: fazerFrench: faire

💡 Beheers Spaans

Til je Spaans naar een hoger niveau. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen op jouw niveau met de Inklingo app!

Veelgestelde Vragen

Wat is het verschil tussen 'hacían' en 'hacía'?

'Hacían' wordt gebruikt als het onderwerp meervoud is (ellos/ellas/ustedes - zij/jullie). 'Hacía' wordt gebruikt als het onderwerp enkelvoud is (yo/él/ella/usted - ik/hij/zij/u beleefd). Beide betekenen 'vroeger doen' of 'was/waren aan het doen' in het verleden.

Waarom wordt 'hacían' soms voor het weer gebruikt?

Het basiswerkwoord 'hacer' wordt in veel weersuitdrukkingen gebruikt, maar voor het weer wordt altijd de enkelvoudsvorm 'hacía' gebruikt omdat het onderwerp een impliciet 'het' is (onpersoonlijk). Bijvoorbeeld: 'Hacía frío' (Het was koud).