hecho
“hecho” betekent “feit” in het Spaans. Het heeft 3 verschillende betekenissen, afhankelijk van de context:
feit
Ook: gebeurtenis, daad
📝 In Actie
De hecho, prefiero el té.
A2Sterker nog, ik heb liever thee.
El hecho es que no tenemos suficiente tiempo.
B1Het feit is dat we niet genoeg tijd hebben.
Fue un hecho histórico muy importante.
B1Het was een zeer belangrijke historische gebeurtenis.
gedaan / gemaakt

📝 In Actie
¿Has hecho la cama?
A2Heb je het bed opgemaakt?
Nunca he hecho paracaidismo.
B1Ik heb nog nooit geskydive.
Cuando llegamos, ya habían hecho la cena.
B2Toen wij aankwamen, hadden zij al gegeten.
gemaakt van / van
Ook: klaar / af, volwassen / volwassen
📝 In Actie
La mesa está hecha de madera.
A2De tafel is van hout gemaakt.
El trabajo ya está hecho.
A2Het werk is al klaar.
Mi hijo ya es un hombre hecho y derecho.
C1Mijn zoon is al een echte, volwassen man.
🔀 Commonly Confused With
Vertaal naar het Spaans
Woorden die vertaald worden als "hecho" in het Spaans:
bestaande uit→daad→feit→gebeurtenis→gekookt→gereed→✏️ Snelle oefening
Snelle Quiz: hecho
Vraag 1 van 2
Welke zin gebruikt 'hecho' om 'feit' te betekenen?
📚 Meer bronnen
👥 Woordfamilie▼
📚 Etymologie▼
Komt van het Latijnse woord 'factum', wat 'een ding gedaan' of 'een gebeurtenis' betekende. 'Factum' is ook de bron van het Engelse woord 'fact', daarom zijn de twee woorden qua betekenis zo nauw verwant.
Eerste vermelding: 10th century
Cognaten (Verwante woorden)
💡 Beheers Spaans
Til je Spaans naar een hoger niveau. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen op jouw niveau met de Inklingo app!
Veelgestelde Vragen
Wat is het verschil tussen 'hecho' en 'hacido'?
'Hecho' is het juiste voltooid deelwoord van 'hacer' (doen/maken). 'Hacido' is een veelvoorkomende fout voor leerders, maar bestaat niet in het Spaans. Gebruik altijd 'hecho' voor 'gedaan' of 'gemaakt'.
Hoe weet ik of 'hecho' een bijvoeglijk naamwoord is of deel uitmaakt van een werkwoord?
Kijk naar het woord waarmee het samengaat. Als het een vorm van 'haber' is (zoals 'he', 'has', 'ha'), maakt het deel uit van een werkwoordstijd (bijv. 'he hecho' - ik heb gedaan). Als het bij 'estar' of 'ser' staat en een zelfstandig naamwoord beschrijft (bijv. 'la casa está hecha de ladrillo' - het huis is van baksteen gemaakt), functioneert het als een bijvoeglijk naamwoord en moet het overeenkomen met het geslacht en getal van het zelfstandig naamwoord.


