parecían
“parecían” betekent “ze leken” in het Spaans. Het heeft 2 verschillende betekenissen, afhankelijk van de context:
ze leken, ze verschenen
Ook: u (meervoud, formeel) leek
📝 In Actie
Las nubes parecían algodón de azúcar antes de la tormenta.
A2De wolken leken op suikerspin voor de storm.
Ellos parecían muy contentos con la noticia que les diste.
B1Ze leken erg blij met het nieuws dat je ze gaf.
¿Ustedes parecían preocupados? ¿Pasó algo?
B1Leek u (formeel meervoud) bezorgd? Is er iets gebeurd?
ze leken op, ze leken op

📝 In Actie
Sus voces parecían las de dos pájaros cantando en el bosque.
B1Hun stemmen klonken als twee vogels die in het bos zongen.
Cuando éramos niños, nuestras bicicletas parecían vehículos espaciales.
B2Toen we kinderen waren, leken onze fietsen op ruimtevaartuigen.
🔄 Vervoegingen
indicative
present
imperfect
preterite
subjunctive
present
imperfect
Vertaal naar het Spaans
Woorden die vertaald worden als "parecían" in het Spaans:
ze leken→✏️ Snelle oefening
Snelle Quiz: parecían
Vraag 1 van 2
Welke zin gebruikt 'parecían' correct om een voortdurende toestand in het verleden te beschrijven?
📚 Meer bronnen
👥 Woordfamilie▼
🎵 Rijmwoorden▼
📚 Etymologie▼
Het woord komt van het Latijnse werkwoord *parēscere*, wat 'verschijnen' of 'zich tonen' betekent, en is gerelateerd aan *parere* ('zichtbaar zijn'). Het Spaanse woord behield de kernbetekenis van het uitdrukken van hoe iets eruitziet of aan iemand verschijnt.
Eerste vermelding: Old Spanish (around the 11th-12th century)
Cognaten (Verwante woorden)
💡 Beheers Spaans
Til je Spaans naar een hoger niveau. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen op jouw niveau met de Inklingo app!
Veelgestelde Vragen
Wat is het verschil tussen 'parecer' en 'parecerse a'?
'Parecer' (zoals in 'parecían') betekent 'schijnen' of 'eruitzien' (bijv. 'Ze leken blij'). 'Parecerse a' (lijken op/gelijken) wordt gebruikt wanneer je twee dingen of mensen vergelijkt (bijv. 'Ze leken op hun grootouders').
Waarom eindigt 'parecían' op '-ían'?
De uitgang '-ían' vertelt je drie belangrijke dingen: 1) De actie/toestand was voortdurend of gewoonlijk in het verleden (de Imperfectum tijd). 2) Het werkwoord is een -er of -ir werkwoord. 3) Het onderwerp is meervoud (zij, of u meervoud formeel).

