diferir
“diferir” betekent “verschillen” in het Spaans. Het heeft 2 verschillende betekenissen, afhankelijk van de context:
verschillen
Ook: het oneens zijn
📝 In Actie
Nuestras opiniones sobre la película difieren mucho.
B1Onze meningen over de film verschillen sterk.
Este modelo difiere del anterior en el tamaño de la pantalla.
B2Dit model verschilt van het vorige qua schermgrootte.
Lamento diferir con usted, pero creo que los datos son incorrectos.
C1Het spijt me dat ik het niet met je eens ben, maar ik geloof dat de gegevens onjuist zijn.
uitstellen
Ook: defereren
📝 In Actie
Han decidido diferir el pago hasta el próximo mes.
B2Ze hebben besloten de betaling uit te stellen tot volgende maand.
El juez difirió la sentencia para estudiar mejor el caso.
C1De rechter stelde de uitspraak uit om de zaak beter te bestuderen.
No podemos diferir esta decisión por más tiempo.
C1We kunnen deze beslissing niet langer uitstellen.
🔄 Vervoegingen
subjunctive
imperfect
present
indicative
preterite
imperfect
present
Vertaal naar het Spaans
✏️ Snelle oefening
Snelle Quiz: diferir
Vraag 1 van 3
Welke zin betekent 'De broers en zussen verschillen erg van elkaar'?
📚 Meer bronnen
👥 Woordfamilie▼
🎵 Rijmwoorden▼
📚 Etymologie▼
Van het Latijnse 'differre', dat 'dis-' (apart) combineert met 'ferre' (dragen). Letterlijk betekent het dingen in verschillende richtingen dragen.
Eerste vermelding: 13th century
Cognaten (Verwante woorden)
💡 Beheers Spaans
Til je Spaans naar een hoger niveau. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen op jouw niveau met de Inklingo app!
Veelgestelde Vragen
Is 'diferir' hetzelfde als 'ser diferente'?
Meestal wel. 'Diferir' is een werkwoord ('verschillen'), terwijl 'ser diferente' een bijvoeglijk naamwoord gebruikt ('anders zijn'). 'Diferir' klinkt formeler.
Wanneer moet ik 'diferir' gebruiken in plaats van 'aplazar'?
Gebruik 'aplazar' voor dagelijkse zaken zoals een vergadering of een doktersbezoek. Gebruik 'diferir' voor formele zaken zoals belastingen, juridische uitspraken of financiële betalingen.
Hoe vervoeg ik de 'zij/hij/het'-vorm in de verleden tijd?
Het is 'difirieron'. De 'e' verandert in 'i' in de derde persoon meervoud van de preteritum verleden tijd.

