Hoe zeg je "troon" in het Spaans
Het Spaanse woord voor “troon” is “trono” — B1 niveau. Dit is een veelgebruikt woord in het dagelijks Spaans.
Dutch → SpaansB1
nounB1
ceremoniële zetel

Voorbeelden
El rey se sentó en el trono para recibir a sus invitados.
De koning zat op de troon om zijn gasten te ontvangen.
El trono estaba decorado con joyas y terciopelo rojo.
De troon was versierd met juwelen en rood fluweel.
Geslachtcontrole
Onthoud dat 'trono' altijd mannelijk is. In het Nederlands is 'troon' ook mannelijk ('de troon'), dus dit is vergelijkbaar. Je moet 'el' (de) of 'un' (een) ervoor gebruiken, en beschrijvende woorden (bijvoeglijke naamwoorden) moeten ook mannelijk zijn (hoewel dit in het Spaans een grotere rol speelt dan in het Nederlands).
Gerelateerde vertalingen
Leer Spaans met Inklingo
Interactieve verhalen, gepersonaliseerd leren en meer.