Hoe zeg je "zij resideren" in het Spaans
Het Spaanse woord voor “zij resideren” is “viven” — A1 niveau. Dit is een veelgebruikt woord in het dagelijks Spaans.

Voorbeelden
Mis abuelos viven en un pueblo pequeño.
Mijn grootouders wonen in een klein dorp.
¿Dónde viven ustedes ahora?
Waar wonen jullie nu?
Ellos viven felices a pesar de los problemas.
Zij leven gelukkig ondanks de problemen.
Derde Persoon Meervoud
'Viven' is de vorm die gebruikt wordt als het onderwerp 'ellos' (zij, mannelijk/gemengd), 'ellas' (zij, vrouwelijk) of 'ustedes' (jullie, formeel of gebruikelijk in Latijns-Amerika) is. In het Nederlands is dit vergelijkbaar met de 'zij/jullie'-vorm van 'wonen'.
Verwarring tussen 'Viven' en 'Vienen'
Fout: “Het gebruik van 'vienen' (zij komen) in plaats van 'viven' (zij wonen).”
Correctie: Onthoud dat de 'i' in *vivir* lijkt op de 'i' in 'leven', wat helpt om de betekenis 'wonen/leven' te onthouden.
Gerelateerde vertalingen
Leer Spaans met Inklingo
Interactieve verhalen, gepersonaliseerd leren en meer.