viven
“viven” betekent “zij wonen” in het Spaans. Het heeft 3 verschillende betekenissen, afhankelijk van de context:
zij wonen, jullie wonen
Ook: zij resideren
📝 In Actie
Mis abuelos viven en un pueblo pequeño.
A1Mijn grootouders wonen in een klein dorp.
¿Dónde viven ustedes ahora?
A2Waar wonen jullie nu?
Ellos viven felices a pesar de los problemas.
A2Zij leven gelukkig ondanks de problemen.
zij ervaren, zij leiden
Ook: zij maken mee
📝 In Actie
Los actores viven un momento de mucha fama.
B1De acteurs beleven een moment van grote faam.
Ellos viven de forma muy austera y simple.
B2Zij leven op een zeer sobere en eenvoudige manier (levensstijl).
ze verdienen hun brood, ze voorzien in hun levensonderhoud
Ook: ze worden onderhouden door
📝 In Actie
Viven de la pesca y el turismo local.
B2Ze verdienen hun brood met visserij en lokaal toerisme.
Muchos artistas viven al día, sin ahorros.
C1Veel kunstenaars leven van dag tot dag (zien rondkomen), zonder spaargeld.
🔄 Vervoegingen
indicative
present
imperfect
preterite
subjunctive
present
imperfect
Vertaal naar het Spaans
Woorden die vertaald worden als "viven" in het Spaans:
jullie wonen→zij ervaren→zij resideren→zij wonen→✏️ Snelle oefening
Snelle Quiz: viven
Vraag 1 van 2
Welke zin gebruikt 'viven' om te praten over het verdienen van de kost (Betekenis 3)?
📚 Meer bronnen
👥 Woordfamilie▼
📚 Etymologie▼
Het woord *vivir* komt rechtstreeks van het Latijnse werkwoord *vīvere*, wat 'in leven zijn' of 'bestaan' betekent, wat de oeroude en fundamentele rol in de taal aantoont.
Eerste vermelding: Before the 10th century (Old Spanish)
Cognaten (Verwante woorden)
💡 Beheers Spaans
Til je Spaans naar een hoger niveau. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen op jouw niveau met de Inklingo app!
Veelgestelde Vragen
Wordt 'viven' gebruikt voor mensen of dingen?
'Viven' (van 'vivir') wordt voornamelijk gebruikt voor levende wezens (mensen, dieren, planten). Je zou 'están' (van 'estar') of 'quedan' (van 'quedar') gebruiken voor de locatie van levenloze objecten.
Hoe zeg je 'Zij woonden vroeger'?
Je gebruikt de Imperfectum-tijd: 'vivían'. Bijvoorbeeld: 'Ellos vivían en Madrid' (Zij woonden vroeger in Madrid).


