Inklingo

viven

VEE-vehn/ˈbiβen/

zij wonen, jullie wonen

Ook: zij resideren
WerkwoordA1regular ir
Twee vriendelijke figuren zitten samen op een bank in de woonkamer van een klein, felgekleurd huis.
infinitivevivir
gerundviviendo
past Participlevivido

📝 In Actie

Mis abuelos viven en un pueblo pequeño.

A1

Mijn grootouders wonen in een klein dorp.

¿Dónde viven ustedes ahora?

A2

Waar wonen jullie nu?

Ellos viven felices a pesar de los problemas.

A2

Zij leven gelukkig ondanks de problemen.

Woordverbindingen

Synoniemen

  • residir (resideren)
  • habitar (bewonen)

Antoniemen

Veelvoorkomende Collocaties

  • viven cercaze wonen dichtbij
  • viven lejosze wonen ver weg

zij ervaren, zij leiden

Ook: zij maken mee
WerkwoordB1regular ir
Twee figuren staan buiten en kijken met verbazing omhoog terwijl kleurrijke bloemblaadjes zachtjes om hen heen vallen.
infinitivevivir
gerundviviendo
past Participlevivido

📝 In Actie

Los actores viven un momento de mucha fama.

B1

De acteurs beleven een moment van grote faam.

Ellos viven de forma muy austera y simple.

B2

Zij leven op een zeer sobere en eenvoudige manier (levensstijl).

Woordverbindingen

Synoniemen

Veelvoorkomende Collocaties

  • viven una aventuraze beleven een avontuur
  • viven en pazze leven in vrede

ze verdienen hun brood, ze voorzien in hun levensonderhoud

Ook: ze worden onderhouden door
WerkwoordB2regular ir
Twee vrolijke figuren oogsten rijpe groenten uit een kleine, kleurrijke tuin in een geweven mand.
infinitivevivir
gerundviviendo
past Participlevivido

📝 In Actie

Viven de la pesca y el turismo local.

B2

Ze verdienen hun brood met visserij en lokaal toerisme.

Muchos artistas viven al día, sin ahorros.

C1

Veel kunstenaars leven van dag tot dag (zien rondkomen), zonder spaargeld.

Woordverbindingen

Synoniemen

  • subsisten (ze voorzien in hun levensonderhoud)
  • mantienen (ze onderhouden zichzelf)

Veelvoorkomende Collocaties

  • viven de algoze leven van iets (inkomstenbron)

🔄 Vervoegingen

indicative

present

él/ella/ustedvive
yovivo
vives
ellos/ellas/ustedesviven
nosotrosvivimos
vosotrosvivís

imperfect

él/ella/ustedvivía
yovivía
vivías
ellos/ellas/ustedesvivían
nosotrosvivíamos
vosotrosvivíais

preterite

él/ella/ustedvivió
yoviví
viviste
ellos/ellas/ustedesvivieron
nosotrosvivimos
vosotrosvivisteis

subjunctive

present

él/ella/ustedviva
yoviva
vivas
ellos/ellas/ustedesvivan
nosotrosvivamos
vosotrosviváis

imperfect

él/ella/ustedviviera
yoviviera
vivieras
ellos/ellas/ustedesvivieran
nosotrosviviéramos
vosotrosvivierais

Vertaal naar het Spaans

Woorden die vertaald worden als "viven" in het Spaans:

jullie wonenzij ervarenzij residerenzij wonen

✏️ Snelle oefening

Snelle Quiz: viven

Vraag 1 van 2

Welke zin gebruikt 'viven' om te praten over het verdienen van de kost (Betekenis 3)?

📚 Meer bronnen

👥 Woordfamilie
🎵 Rijmwoorden
📚 Etymologie

Het woord *vivir* komt rechtstreeks van het Latijnse werkwoord *vīvere*, wat 'in leven zijn' of 'bestaan' betekent, wat de oeroude en fundamentele rol in de taal aantoont.

Eerste vermelding: Before the 10th century (Old Spanish)

Cognaten (Verwante woorden)

Italian: vivonoFrench: vivent

💡 Beheers Spaans

Til je Spaans naar een hoger niveau. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen op jouw niveau met de Inklingo app!

Veelgestelde Vragen

Wordt 'viven' gebruikt voor mensen of dingen?

'Viven' (van 'vivir') wordt voornamelijk gebruikt voor levende wezens (mensen, dieren, planten). Je zou 'están' (van 'estar') of 'quedan' (van 'quedar') gebruiken voor de locatie van levenloze objecten.

Hoe zeg je 'Zij woonden vroeger'?

Je gebruikt de Imperfectum-tijd: 'vivían'. Bijvoorbeeld: 'Ellos vivían en Madrid' (Zij woonden vroeger in Madrid).