orinar
oh-ree-NAR
/o.ɾiˈnaɾ/
Snelle Referentie
📝 In Actie
El bebé necesita orinar cada dos horas.
A1De baby moet elke twee uur plassen.
Si bebes mucha agua, orinarás frecuentemente.
A2Als je veel water drinkt, zul je vaak plassen.
El doctor le preguntó si estaba orinando con dolor.
B1De dokter vroeg hem of hij pijnlijk urineerde.
💡 Grammaticapunten
Een Reguliere Werkwoord
Omdat 'orinar' een regelmatig -AR werkwoord is, volgt het de meest voorkomende vervoegingspatronen, waardoor het gemakkelijk te beheersen is zodra je de basisuitgangen kent. Dit is vergelijkbaar met Nederlandse regelmatige werkwoorden die eindigen op '-en' (zoals 'wandelen').
❌ Veelgemaakte Fouten
Het verkeerde woord gebruiken voor beleefdheid
Fout: “Het gebruik van 'orinar' in een zeer informele of openbare setting waar een eufemisme wordt verwacht.”
Correctie: In beleefd gesprek, vooral bij het vragen naar het toilet, gebruik je 'ir al baño' (naar het toilet gaan) of 'hacer mis necesidades' (mijn behoefte doen). Dit is vergelijkbaar met hoe Nederlanders 'naar het toilet gaan' zeggen in plaats van direct 'urineren'.
⭐ Gebruikstips
Beleefde Alternatieven
Wanneer je tegen kinderen praat of in het openbaar, is het heel gebruikelijk om 'hacer pipí' (voor kinderen) of simpelweg 'ir al baño' (naar het toilet gaan) te gebruiken in plaats van het directe werkwoord 'orinar'.
🔄 Vervoegingen
subjunctive
imperfect
present
indicative
preterite
imperfect
present
✏️ Snelle oefening
Snelle Quiz: orinar
Vraag 1 van 1
Welke zin gebruikt het meest gebruikelijke en beleefde eufemisme voor de handeling van orinar?
💡 Beheers Spaans
Til je Spaans naar een hoger niveau. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen op jouw niveau met de Inklingo app!
📚 Meer bronnen
Veelgestelde Vragen
Wordt 'orinar' als onbeleefd of vulgair beschouwd?
'Orinar' is een neutraal, klinisch werkwoord, niet inherent onbeleefd. Echter, in beleefd, alledaags gesprek vermijden Spaanstaligen meestal om het direct te zeggen en gebruiken ze in plaats daarvan zinnen als 'ir al baño' (naar het toilet gaan) of 'hacer pipí' (vooral bij kinderen).