querrás
“querrás” betekent “jij zult willen” in het Spaans. Het heeft 2 verschillende betekenissen, afhankelijk van de context:
jij zult willen
Ook: je wilt, wil je?
📝 In Actie
Si vas a la playa, querrás llevar protector solar.
A2Als je naar het strand gaat, zul je zonnebrandcrème willen meenemen.
Cuando veas el menú, ¿qué querrás pedir?
A1Als je het menu ziet, wat zul je dan willen bestellen?
Me imagino que querrás descansar después de ese viaje.
B1Ik stel me voor dat je wilt rusten na die reis.
jij zult houden van
Ook: je zult geven om
📝 In Actie
Una vez que conozcas a mi perro, lo querrás de inmediato.
A2Zodra je mijn hond ontmoet, zul je meteen van hem houden.
Sé que querrás a tus sobrinos, aunque aún no los has visto.
B1Ik weet dat je van je neefjes zult houden, ook al heb je ze nog niet gezien.
🔄 Vervoegingen
indicative
present
imperfect
preterite
subjunctive
present
imperfect
Vertaal naar het Spaans
Woorden die vertaald worden als "querrás" in het Spaans:
je wilt→✏️ Snelle oefening
Snelle Quiz: querrás
Vraag 1 van 2
Welke zin gebruikt 'querrás' correct om een beleefde suggestie over het huidige moment te doen?
📚 Meer bronnen
👥 Woordfamilie▼
🎵 Rijmwoorden▼
📚 Etymologie▼
'Querer' komt van het Latijnse werkwoord *quaerere*, wat 'zoeken' of 'vragen om' betekende. In de loop van de tijd verschoof de betekenis van 'zoeken' naar 'verlangen' of 'willen'.
Eerste vermelding: Old Spanish (around the 11th century)
Cognaten (Verwante woorden)
💡 Beheers Spaans
Til je Spaans naar een hoger niveau. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen op jouw niveau met de Inklingo app!
Veelgestelde Vragen
Waarom wordt 'querrás' met twee 'r's gespeld?
'Querrás' is de toekomende tijd van 'querer'. Werkwoorden die onregelmatig zijn in de toekomende tijd voegen vaak een 'r' toe aan de stam vóór de uitgang. Dit duidt op de verandering in uitspraak en tijd, net zoals de stam van 'zullen' in het Nederlands verandert.
Kan ik 'querrás' gebruiken om over het weer te praten?
Nee. 'Querrás' betekent 'jij zult willen/houden van'. Om over het weer te praten ('Het zal zonnig zijn'), heb je werkwoorden nodig zoals 'hacer' (hará) of 'estar' (estará).

