viajar
“viajar” betekent “reizen” in het Spaans. Het heeft 2 verschillende betekenissen, afhankelijk van de context:
reizen, op reis gaan
Ook: een tocht maken
📝 In Actie
Me encanta viajar a países nuevos.
A1Ik hou ervan om naar nieuwe landen te reizen.
¿Has viajado mucho por trabajo este año?
A2Heb je dit jaar veel gereisd voor je werk?
Viajamos en tren porque es más relajante.
A1Wij reizen met de trein omdat het relaxter is.
zich voortplanten/bewegen
Ook: razen
📝 In Actie
La luz viaja a una velocidad increíble.
B2Het licht reist met een ongelooflijke snelheid.
Al leer, mi mente viaja a otros siglos.
C1Bij het lezen reist mijn geest naar andere eeuwen.
🔄 Vervoegingen
indicative
present
imperfect
preterite
subjunctive
present
imperfect
Vertaal naar het Spaans
🗣️ Practice in a Tongue Twister
✏️ Snelle oefening
Snelle Quiz: viajar
Vraag 1 van 1
Welke zin gebruikt het werkwoord 'viajar' correct?
📚 Meer bronnen
👥 Woordfamilie▼
📚 Etymologie▼
Het woord komt van het Oud-Catalaans 'viatge', dat zelf is afgeleid van de Latijnse term 'viaticum'. Dit Latijnse woord betekende oorspronkelijk 'voorzieningen voor een reis' of 'geld voor een tocht', gebaseerd op de wortel 'via', wat 'weg' of 'pad' betekent.
Eerste vermelding: Medieval Spanish
Cognaten (Verwante woorden)
💡 Beheers Spaans
Til je Spaans naar een hoger niveau. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen op jouw niveau met de Inklingo app!
Veelgestelde Vragen
¿Cuál es la diferencia entre 'viajar' e 'ir'?
'Ir' betekent 'gaan' en wordt gebruikt voor elke beweging, zelfs korte afstanden ('Voy a la tienda' - Ik ga naar de winkel). 'Viajar' betekent 'reizen' en impliceert een langere, substantieelere reis, vaak met een verandering van omgeving of bestemming ('Voy a viajar por Europa' - Ik ga door Europa reizen).
Is 'viajar' altijd een regelmatig werkwoord?
Ja! 'Viajar' is een regelmatig -AR-werkwoord in alle tijden, wat het heel gemakkelijk maakt om te vervoegen. Je hoeft je geen zorgen te maken over lastige spellingveranderingen of stamwisselingen.

