Inklingo

viajar

vee-ah-HARbjaˈxaɾ

viajar betekent reizen in het Spaans. Het heeft 2 verschillende betekenissen, afhankelijk van de context:

reizen, op reis gaanOok: een tocht maken

WerkwoordA1regular ar
Een vrolijke wandelaar met een kleine rugzak loopt over een kronkelig zandpad richting kleurrijke, verre bergen onder een helderblauwe hemel.
infinitiveviajar
gerundviajando
past Participleviajado

📝 In Actie

Me encanta viajar a países nuevos.

A1

Ik hou ervan om naar nieuwe landen te reizen.

¿Has viajado mucho por trabajo este año?

A2

Heb je dit jaar veel gereisd voor je werk?

Viajamos en tren porque es más relajante.

A1

Wij reizen met de trein omdat het relaxter is.

Woordverbindingen

Synoniemen

Antoniemen

Veelvoorkomende Collocaties

  • viajar en aviónmet het vliegtuig reizen
  • viajar ligerolicht reizen

zich voortplanten/bewegenOok: razen

WerkwoordC1regular arformal
Een eenvoudige illustratie van een kleine, kleurrijke luidspreker die levendige, gebogen lijnen uitzendt die geluidsgolven voorstellen die zich naar buiten verspreiden over een plat oppervlak.
infinitiveviajar
gerundviajando
past Participleviajado

📝 In Actie

La luz viaja a una velocidad increíble.

B2

Het licht reist met een ongelooflijke snelheid.

Al leer, mi mente viaja a otros siglos.

C1

Bij het lezen reist mijn geest naar andere eeuwen.

Woordverbindingen

Synoniemen

  • transmitirse (uitgezonden worden)

Indicative

Present

yoviajo
viajas
él/ella/ustedviaja
nosotrosviajamos
vosotrosviajáis
ellos/ellas/ustedesviajan

Imperfect

yoviajaba
viajabas
él/ella/ustedviajaba
nosotrosviajábamos
vosotrosviajabais
ellos/ellas/ustedesviajaban

Preterite

yoviajé
viajaste
él/ella/ustedviajó
nosotrosviajamos
vosotrosviajasteis
ellos/ellas/ustedesviajaron

Subjunctive

Present Subjunctive

yoviaje
viajes
él/ella/ustedviaje
nosotrosviajemos
vosotrosviajéis
ellos/ellas/ustedesviajen

Imperfect Subjunctive

yoviajara
viajaras
él/ella/ustedviajara
nosotrosviajáramos
vosotrosviajarais
ellos/ellas/ustedesviajaran

Vertaal naar het Spaans

Woorden die vertaald worden als "viajar" in het Spaans:

🗣️ Practice in a Tongue Twister

✏️ Snelle oefening

Snelle Quiz: viajar

Vraag 1 van 1

Welke zin gebruikt het werkwoord 'viajar' correct?

📚 Meer bronnen

👥 Woordfamilie
🎵 Rijmwoorden
📚 Etymologie

Het woord komt van het Oud-Catalaans 'viatge', dat zelf is afgeleid van de Latijnse term 'viaticum'. Dit Latijnse woord betekende oorspronkelijk 'voorzieningen voor een reis' of 'geld voor een tocht', gebaseerd op de wortel 'via', wat 'weg' of 'pad' betekent.

Eerste vermelding: Medieval Spanish

Cognaten (Verwante woorden)

Portuguese: viajarFrench: voyager

💡 Beheers Spaans

Til je Spaans naar een hoger niveau. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen op jouw niveau met de Inklingo app!

Veelgestelde Vragen

¿Cuál es la diferencia entre 'viajar' e 'ir'?

'Ir' betekent 'gaan' en wordt gebruikt voor elke beweging, zelfs korte afstanden ('Voy a la tienda' - Ik ga naar de winkel). 'Viajar' betekent 'reizen' en impliceert een langere, substantieelere reis, vaak met een verandering van omgeving of bestemming ('Voy a viajar por Europa' - Ik ga door Europa reizen).

Is 'viajar' altijd een regelmatig werkwoord?

Ja! 'Viajar' is een regelmatig -AR-werkwoord in alle tijden, wat het heel gemakkelijk maakt om te vervoegen. Je hoeft je geen zorgen te maken over lastige spellingveranderingen of stamwisselingen.