vivió
“vivió” betekent “leefde” in het Spaans. Het heeft 2 verschillende betekenissen, afhankelijk van de context:
leefde
Ook: woonde
📝 In Actie
Ella vivió en Barcelona durante la guerra.
A1Zij woonde tijdens de oorlog in Barcelona.
¿Dónde vivió usted antes de mudarse aquí?
A2Waar woonde u voordat u hierheen verhuisde?
El perro vivió diecisiete años.
A2De hond leefde zeventien jaar.
beleefde
Ook: maakte mee
📝 In Actie
Mi abuela vivió la Segunda Guerra Mundial.
B1Mijn grootmoeder beleefde de Tweede Wereldoorlog.
El alpinista vivió una aventura inolvidable.
B2De bergbeklimmer beleefde een onvergetelijk avontuur.
🔄 Vervoegingen
indicative
present
imperfect
preterite
subjunctive
present
imperfect
✏️ Snelle oefening
Snelle Quiz: vivió
Vraag 1 van 2
Welke zin gebruikt 'vivió' correct om een voltooide periode van verblijf te beschrijven?
📚 Meer bronnen
👥 Woordfamilie▼
📚 Etymologie▼
Komt rechtstreeks van het Latijnse werkwoord *vīvere*, wat 'in leven zijn' of 'bestaan' betekent. Deze wortel wordt gedeeld door veel woorden in het Nederlands, zoals 'vitaal' en 'vivant'.
Eerste vermelding: Old Spanish (around the 10th century)
Cognaten (Verwante woorden)
💡 Beheers Spaans
Til je Spaans naar een hoger niveau. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen op jouw niveau met de Inklingo app!
Veelgestelde Vragen
Wat is het verschil tussen 'vivió' en 'vivía'?
'Vivió' (Pretérito) vertelt je over een voltooide handeling, zoals 'Hij woonde daar vijf jaar (en toen vertrok hij).' 'Vivía' (Imperfecto) vertelt je over een doorlopende of gewoonlijke handeling in het verleden, zoals 'Hij woonde daar vroeger,' of 'Hij was daar aan het wonen toen er iets anders gebeurde.'
Is 'vivió' een regelmatige of onregelmatige werkwoordsvorm?
Het werkwoord 'vivir' is regelmatig in de Pretérito-tijd, inclusief de vorm 'vivió'. Het volgt het standaardpatroon voor -ir werkwoorden in deze tijd.

