Inklingo

vivió

bee-bee-OHbiˈβjo

leefde

Ook: woonde
WerkwoordA1regular ir
Een kleurrijke prentenboekillustratie van een oudere vrouw die vredig in een schommelstoel zit in een klein, gezellig houten huis, wat duidt op een gevestigd leven.
infinitivevivir
gerundviviendo
past Participlevivido

📝 In Actie

Ella vivió en Barcelona durante la guerra.

A1

Zij woonde tijdens de oorlog in Barcelona.

¿Dónde vivió usted antes de mudarse aquí?

A2

Waar woonde u voordat u hierheen verhuisde?

El perro vivió diecisiete años.

A2

De hond leefde zeventien jaar.

Woordverbindingen

Synoniemen

  • moró (woonde)
  • habitó (bewoonde)

Antoniemen

Veelvoorkomende Collocaties

  • vivió muchos añosleefde vele jaren
  • vivió felizmenteleefde gelukkig

beleefde

Ook: maakte mee
WerkwoordB1regular ir
Een kleurrijke prentenboekillustratie van een jong persoon die op een bergtop staat met opgeheven armen, kijkend naar een dramatische oranje en paarse zonsondergang, wat een diepgaande ervaring symboliseert.
infinitivevivir
gerundviviendo
past Participlevivido

📝 In Actie

Mi abuela vivió la Segunda Guerra Mundial.

B1

Mijn grootmoeder beleefde de Tweede Wereldoorlog.

El alpinista vivió una aventura inolvidable.

B2

De bergbeklimmer beleefde een onvergetelijk avontuur.

Woordverbindingen

Synoniemen

  • experimentó (ervoer)
  • sufrió (leed)

Veelvoorkomende Collocaties

  • vivió un traumabeleefde een trauma

Indicative

Present

yovivo
vives
él/ella/ustedvive
nosotrosvivimos
vosotrosvivís
ellos/ellas/ustedesviven

Imperfect

yovivía
vivías
él/ella/ustedvivía
nosotrosvivíamos
vosotrosvivíais
ellos/ellas/ustedesvivían

Preterite

yoviví
viviste
él/ella/ustedvivió
nosotrosvivimos
vosotrosvivisteis
ellos/ellas/ustedesvivieron

Subjunctive

Present Subjunctive

yoviva
vivas
él/ella/ustedviva
nosotrosvivamos
vosotrosviváis
ellos/ellas/ustedesvivan

Imperfect Subjunctive

yoviviera / viviese
vivieras / vivieses
él/ella/ustedviviera / viviese
nosotrosviviéramos / viviésemos
vosotrosvivierais / vivieseis
ellos/ellas/ustedesvivieran / viviesen

Vertaal naar het Spaans

Woorden die vertaald worden als "vivió" in het Spaans:

beleefdewoonde

✏️ Snelle oefening

Snelle Quiz: vivió

Vraag 1 van 2

Welke zin gebruikt 'vivió' correct om een voltooide periode van verblijf te beschrijven?

📚 Meer bronnen

👥 Woordfamilie
🎵 Rijmwoorden
📚 Etymologie

Komt rechtstreeks van het Latijnse werkwoord *vīvere*, wat 'in leven zijn' of 'bestaan' betekent. Deze wortel wordt gedeeld door veel woorden in het Nederlands, zoals 'vitaal' en 'vivant'.

Eerste vermelding: Old Spanish (around the 10th century)

Cognaten (Verwante woorden)

Portuguese: viveuItalian: visse

💡 Beheers Spaans

Til je Spaans naar een hoger niveau. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen op jouw niveau met de Inklingo app!

Veelgestelde Vragen

Wat is het verschil tussen 'vivió' en 'vivía'?

'Vivió' (Pretérito) vertelt je over een voltooide handeling, zoals 'Hij woonde daar vijf jaar (en toen vertrok hij).' 'Vivía' (Imperfecto) vertelt je over een doorlopende of gewoonlijke handeling in het verleden, zoals 'Hij woonde daar vroeger,' of 'Hij was daar aan het wonen toen er iets anders gebeurde.'

Is 'vivió' een regelmatige of onregelmatige werkwoordsvorm?

Het werkwoord 'vivir' is regelmatig in de Pretérito-tijd, inclusief de vorm 'vivió'. Het volgt het standaardpatroon voor -ir werkwoorden in deze tijd.