casada
“casada” betekent “getrouwd” in het Spaans. Het heeft 2 verschillende betekenissen, afhankelijk van de context:
getrouwd

📝 In Actie
¿Es tu vecina casada o soltera?
A1Is uw buurvrouw getrouwd of vrijgezel?
Mi madre estuvo casada por más de treinta años.
A2Mijn moeder was meer dan dertig jaar getrouwd.
getrouwde vrouw
Ook: echtgenote
📝 In Actie
La casada y su esposo compraron una casa nueva.
B1De getrouwde vrouw en haar man kochten een nieuw huis.
Ella es la casada que mencionaste.
B1Zij is de echtgenote/getrouwde vrouw die u noemde.
Vocabulary Collections
Vertaal naar het Spaans
✏️ Snelle oefening
Snelle Quiz: casada
Vraag 1 van 1
Welke zin gebruikt 'casada' als een zelfstandig naamwoord (waarbij direct naar de persoon wordt verwezen)?
📚 Meer bronnen
👥 Woordfamilie▼
📚 Etymologie▼
Het basiswerkwoord 'casar' komt van het Latijnse woord 'casa', wat 'huis' of 'hut' betekent. Het woord evolueerde naar 'een huis voorzien voor' of 'iemand in een huis vestigen', wat leidde tot de moderne betekenis van 'trouwen' of 'een huishouden stichten.'
Eerste vermelding: 13th century (in related forms)
Cognaten (Verwante woorden)
💡 Beheers Spaans
Til je Spaans naar een hoger niveau. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen op jouw niveau met de Inklingo app!
Veelgestelde Vragen
Wat is het verschil tussen 'casada' en 'esposa'?
'Casada' is primair een bijvoeglijk naamwoord dat 'getrouwd' betekent (bijv. 'Ella está casada'). Hoewel het als zelfstandig naamwoord voor 'getrouwde vrouw' kan worden gebruikt, is 'esposa' het standaard, specifieke zelfstandig naamwoord dat 'echtgenote' betekent (bijv. 'Mi esposa es maestra').

