Inklingo

viaja

vee-AH-hah/ˈbja.xa/

viaja betekent reist in het Spaans (Hij/Zij/Het reist (constatering)).

reist, is aan het reizen, Reis!

Ook: maakt reizen, gaat op reis
WerkwoordA1regular ar
Mexico
Een kleurrijke illustratie uit een prentenboek die een vereenvoudigd menselijk figuur toont die stevig doorloopt op een kronkelende weg terwijl hij een kleine rode rolkoffer trekt, wat reizen symboliseert.
infinitiveviajar
gerundviajando
past Participleviajado

📝 In Actie

Ella siempre viaja en verano a Italia.

A1

Zij reist altijd in de zomer naar Italië.

Usted viaja mucho por su trabajo, ¿verdad?

A2

U reist veel voor uw werk, nietwaar?

Si tienes la oportunidad, ¡viaja por el mundo!

A1

Als je de kans krijgt, reis de wereld rond!

El paquete viaja por avión y llega mañana.

B1

Het pakket reist per vliegtuig en komt morgen aan.

Woordverbindingen

Synoniemen

  • recorrer (rondreizen/afstand afleggen)
  • trasladarse (verhuizen/zich verplaatsen)

Antoniemen

Veelvoorkomende Collocaties

  • viajar ligerolicht reizen
  • viajar en trenmet de trein reizen

🔄 Vervoegingen

indicative

preterite

él/ella/ustedviajó
ellos/ellas/ustedesviajaron
vosotrosviajasteis
nosotrosviajamos
yoviajé
viajaste

present

él/ella/ustedviaja
ellos/ellas/ustedesviajan
vosotrosviajáis
nosotrosviajamos
yoviajo
viajas

imperfect

él/ella/ustedviajaba
ellos/ellas/ustedesviajaban
vosotrosviajabais
nosotrosviajábamos
yoviajaba
viajabas

subjunctive

present

él/ella/ustedviaje
ellos/ellas/ustedesviajen
vosotrosviajéis
nosotrosviajemos
yoviaje
viajes

imperfect

él/ella/ustedviajara/viajase
ellos/ellas/ustedesviajaran/viajasen
vosotrosviajarais/viajaseis
nosotrosviajáramos/viajásemos
yoviajara/viajase
viajaras/viajases

Vertaal naar het Spaans

Woorden die vertaald worden als "viaja" in het Spaans:

maakt reizenreist

✏️ Snelle oefening

Snelle Quiz: viaja

Vraag 1 van 2

Welke zin gebruikt 'viaja' als informeel bevel?

📚 Meer bronnen

👥 Woordfamilie
viajar(reizen)Verb (infinitive)
viaje(reis)Zelfstandig naamwoord
viajero/a(reiziger)Zelfstandig naamwoord / Bijvoeglijk naamwoord
🎵 Rijmwoorden
📚 Etymologie

'Viaja' komt van het werkwoord 'viajar', dat zich ontwikkelde uit het Latijnse woord *viaticum*. Dit verwees oorspronkelijk naar geld of proviand die nodig was voor een reis, waardoor het concept van reizen gekoppeld werd aan noodzakelijke voorraden.

Eerste vermelding: Around the 13th century (as 'viage' in Old Spanish)

Cognaten (Verwante woorden)

Portuguese: viajaItalian: viaggia

💡 Beheers Spaans

Til je Spaans naar een hoger niveau. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen op jouw niveau met de Inklingo app!

Veelgestelde Vragen

Hoe weet ik of 'viaja' 'hij/zij reist' of 'Reis!' betekent?

Je moet naar de context kijken! Als het een constatering is over een derde persoon (of een formele 'usted'), betekent het 'reist'. Als het aan het begin van een zin staat, vaak met een uitroepteken, en gericht is aan een informele vriend ('tú'), is het een bevel.

Wordt 'viaja' beschouwd als een regelmatig werkwoord?

Ja, 'viajar' is een volkomen regelmatig -AR werkwoord, wat betekent dat de uitgangen voorspelbaar zijn en geen lastige stamwisselingen met zich meebrengen.