caes
“caes” betekent “jij valt” in het Spaans. Het heeft 3 verschillende betekenissen, afhankelijk van de context:
jij valt, jij laat vallen
Ook: jij stort in
📝 In Actie
Si no miras dónde vas, caes en el agujero.
A1Als je niet oplet waar je loopt, val je in het gat.
¿Por qué siempre caes en la misma trampa?
B1Waarom val je altijd in dezelfde val?
je komt over (als), je wordt aardig/niet aardig gevonden
Ook: het gebeurt
📝 In Actie
¿Crees que le caes bien a mi jefe?
A2Denk je dat mijn baas je aardig vindt (kom je goed over bij hem)?
Nunca caes mal, eres muy amable.
B1Je komt nooit slecht over, je bent heel vriendelijk.
je komt langs, je komt even binnenwaaien
Ook: je komt even langs wippen
📝 In Actie
Si estás cerca, ¿por qué no caes un rato?
B2Als je in de buurt bent, waarom kom je dan niet even langs?
Siempre caes sin avisar, ¡es una sorpresa!
C1Je komt altijd onverwacht langs, het is een verrassing!
🔄 Vervoegingen
indicative
present
preterite
imperfect
subjunctive
present
imperfect
Vertaal naar het Spaans
✏️ Snelle oefening
Snelle Quiz: caes
Vraag 1 van 2
Welke Nederlandse zin vertaalt de betekenis van 'caes' correct in de zin: 'Siempre caes en los trucos de tu hermano.'
📚 Meer bronnen
👥 Woordfamilie▼
🎵 Rijmwoorden▼
📚 Etymologie▼
Komt van het Latijnse werkwoord *cadere*, wat 'vallen' betekent. Het deelt wortels met Nederlandse woorden zoals 'casus' (geval) en 'cadans' (ritme/val).
Eerste vermelding: Before the 10th century
Cognaten (Verwante woorden)
💡 Beheers Spaans
Til je Spaans naar een hoger niveau. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen op jouw niveau met de Inklingo app!
Veelgestelde Vragen
Wat is de basisvorm van 'caes'?
De basisvorm is het infinitief werkwoord 'caer', wat 'vallen' of 'laten vallen' betekent.
Is 'caes' een regelmatige werkwoordsvorm?
'Caes' zelf (tú tegenwoordige tijd) volgt het normale patroon voor '-er' werkwoorden, maar het werkwoord 'caer' wordt als onregelmatig beschouwd omdat de 'yo'-vorm ('caigo') en de onvoltooid verleden tijd (zoals 'cayó') speciale veranderingen hebben.


