Inklingo

vestir

ves-TIRbesˈtiɾ

aankleden, kledenOok: optuigen

WerkwoordA1irregular (e > i stem change) ir
Een moeder trekt zachtjes een felrood shirt over het hoofd van haar lachende jonge kind.
infinitivevestir
gerundvistiendo
past Participlevestido

📝 In Actie

La niñera tiene que vestir a los gemelos antes de las ocho.

A1

De oppas moet de tweeling voor acht uur aankleden.

Mi abuela me vistió para mi primera comunión.

A2

Mijn grootmoeder kleedde mij aan voor mijn eerste communie.

Woordverbindingen

Synoniemen

  • poner ropa (kleren aantrekken)
  • ataviar (versieren)

Antoniemen

Veelvoorkomende Collocaties

  • vestir a la modamodieus gekleed gaan
  • vestir a los niñosde kinderen aankleden

zich aankleden, zich kledenOok: zijn kleren aantrekken

WerkwoordA1reflexive (vestirse) ir
Een persoon die staat en actief de rits van een blauwe jas die hij draagt omhoog trekt.
infinitivevestirse
gerundvistiéndose
past Participlevestido

📝 In Actie

Me visto rápidamente todas las mañanas para ir al trabajo.

A1

Ik kleed me elke ochtend snel aan om naar het werk te gaan.

Mi hijo ya puede vestirse solo, no necesita ayuda.

A2

Mijn zoon kan zich al zelf aankleden, hij heeft geen hulp nodig.

¿A qué hora te vas a vestir para la fiesta?

B1

Hoe laat ga jij je aankleden voor het feest?

Woordverbindingen

Synoniemen

  • arreglarse (zich klaarmaken)
  • ponerse la ropa (kleren aantrekken)

Antoniemen

  • desvestirse (zich uitkleden)

Veelvoorkomende Collocaties

  • vestirse deprisazich haastig aankleden
  • vestirse elegantezich elegant kleden

dragen, bekledenOok: dragen (in een uniform)

WerkwoordB1irregular (e > i stem change) ir
Een persoon die staat en een lange, elegante smaragdgroene jurk toont die hij draagt.
infinitivevestir
gerundvistiendo
past Participlevestido

📝 In Actie

Todos los estudiantes visten de azul marino.

B1

Alle studenten dragen marineblauw (uniformen).

La sala estaba vestida de flores blancas para la boda.

B2

De zaal was bekleed met witte bloemen voor de bruiloft.

Ese actor siempre viste ropa de diseñador.

B1

Die acteur draagt altijd merkkleding.

Woordverbindingen

Synoniemen

  • llevar puesto (dragen)
  • adornar (decoreren)

Veelvoorkomende Collocaties

  • vestir de lutorouwkleding dragen
  • vestir casualcasual gekleed gaan

Indicative

Preterite

yovestí
vestiste
él/ella/ustedvistió
nosotrosvestimos
vosotrosvestisteis
ellos/ellas/ustedesvistieron

Present

yovisto
vistes
él/ella/ustedviste
nosotrosvestimos
vosotrosvestís
ellos/ellas/ustedesvisten

Imperfect

yovestía
vestías
él/ella/ustedvestía
nosotrosvestíamos
vosotrosvestíais
ellos/ellas/ustedesvestían

Subjunctive

Present Subjunctive

yovista
vistas
él/ella/ustedvista
nosotrosvistamos
vosotrosvistáis
ellos/ellas/ustedesvistan

Imperfect Subjunctive

yovistiera
vistieras
él/ella/ustedvistiera
nosotrosvistiéramos
vosotrosvistierais
ellos/ellas/ustedesvistieran

🔀 Commonly Confused With

Vertaal naar het Spaans

Woorden die vertaald worden als "vestir" in het Spaans:

✏️ Snelle oefening

Snelle Quiz: vestir

Vraag 1 van 2

Welke zin gebruikt correct de wederkerende vorm van 'vestir' (vestirse)?

📚 Meer bronnen

👥 Woordfamilie
🎵 Rijmwoorden
📚 Etymologie

Het Spaanse woord komt rechtstreeks van het Latijnse werkwoord *vestīre*, wat 'bekleden' of 'bedekken' betekende. Het deelt zijn oorsprong met Engelse woorden zoals 'vest' en 'vestment', maar voor Nederlandstaligen is de connectie met het Nederlandse 'vestimentair' het meest relevant.

Eerste vermelding: Before the 12th century

Cognaten (Verwante woorden)

Portuguese: vestirItalian: vestireFrench: vêtir

💡 Beheers Spaans

Til je Spaans naar een hoger niveau. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen op jouw niveau met de Inklingo app!

Veelgestelde Vragen

Wat is het verschil tussen 'vestir' en 'llevar' als we het over kleding hebben?

'Vestir' betekent 'aankleden' (de handeling van iemand anders kleren aantrekken) of 'zich kleden in een bepaalde stijl'. 'Llevar' is het standaardwerkwoord voor 'dragen' van een specifiek kledingstuk of accessoire (bijv. 'Llevo un sombrero' — Ik draag een hoed).

Waarom verandert de 'nosotros'-vorm zijn stam niet (bijv. vestimos, niet vistimos)?

Bij stamwisselende werkwoorden in het Spaans slaan de 'wij' (nosotros) en 'jullie' (vosotros) vormen de onregelmatige verandering meestal over. Dit komt doordat de klemtoon van het woord in die twee vormen buiten de werkwoordstam valt.