Hoe zeg je "sporten" in het Spaans
Het meest gebruikte Spaanse woord voor “sporten” is “entrenar” — gebruik 'entrenar' als je het hebt over de fysieke inspanning die je levert om fit te blijven of je conditie te verbeteren, vaak op een specifieke locatie zoals een sportschool..
entrenar
en-treh-NAR/entɾeˈnaɾ/

Voorbeelden
Me entreno en el gimnasio tres veces a la semana.
Ik sport drie keer per week in de sportschool.
¿A qué hora te entrenas normalmente?
Hoe laat sport jij normaal gesproken?
Ella se entrena muy duro para la maratón.
Zij traint heel hard voor de marathon.
Het Wederkerende Werkwoord
Wanneer je jezelf traint, moet je de wederkerende vorm 'entrenarse' gebruiken, samen met het corresponderende voornaamwoord (me, te, se, nos, os, se). Dit geeft aan dat de actie terugkomt bij de persoon die de handeling verricht. Dit is vergelijkbaar met het Nederlandse 'zichzelf trainen' of 'sporten'.
Het Wederkerend Voornaamwoord Vergeten
Fout: “Yo entreno cada día. (Ik train elke dag.)”
Correctie: Yo me entreno cada día. (Ik sport elke dag.) Het wederkerend voornaamwoord 'me' is noodzakelijk als je over je eigen routine praat, net zoals in het Nederlands 'ik train mezelf' of 'ik sport' impliceert.
deportes
deh-POHR-tes/deˈpoɾtes/

Voorbeelden
Me gustan mucho los deportes acuáticos.
Ik hou erg van watersporten.
Me gustan mucho los **deportes** acuáticos.
Ik hou erg van watersporten.
¿Qué **deportes** practicas en tu tiempo libre?
Welke sporten beoefen je in je vrije tijd?
La ciudad invierte mucho en infraestructuras para los **deportes** de invierno.
De stad investeert veel in infrastructuur voor wintersporten.
Mannelijk Meervoud
Aangezien het enkelvoudige woord deporte mannelijk is (el deporte), is de meervoudsvorm deportes ook mannelijk. Daarom moet je het mannelijke meervoudsartikel los gebruiken (los deportes).
Onjuist gebruik van 'Jugar'
Fout: “Hago jugar al fútbol.”
Correctie: Practico el fútbol. (Gebruik *practicar* of *jugar a* voor specifieke sporten, maar *hacer* of *practicar* voor 'sporten doen' in het algemeen.)
entrenando
/en-treh-NAN-doh//entɾeˈnando/

Voorbeelden
Estoy entrenando para el maratón de la próxima semana.
Ik ben aan het trainen voor de marathon van volgende week.
Llevamos tres horas entrenando en la cancha.
We zijn al drie uur aan het oefenen op het veld.
Ella está entrenando a los nuevos empleados.
Zij is de nieuwe werknemers aan het inwerken/trainen.
De '-ando' uitgang
In het Spaans is de '-ando' uitgang vergelijkbaar met de Nederlandse '-end' of de constructie 'aan het + infinitief' voor '-ar' werkwoorden. Het geeft aan dat de actie nu plaatsvindt.
Combineren met 'Estar'
Om te zeggen 'Ik ben aan het trainen', moet je het werkwoord 'estar' (zijn) gebruiken gevolgd door 'entrenando'. Voorbeeld: 'Estoy entrenando.'
Niet gebruiken als zelfstandig naamwoord
Fout: “Me gusta el entrenando.”
Correctie: Me gusta el entrenamiento. Gebruik 'entrenamiento' voor het zelfstandig naamwoord (de training/oefensessie) en 'entrenando' alleen voor de lopende actie.
Werkwoord vs. Zelfstandig Naamwoord
Leer Spaans met Inklingo
Interactieve verhalen, gepersonaliseerd leren en meer.


