Hoe zeg je "huisgenoot" in het Spaans
Het meest gebruikte Spaanse woord voor “huisgenoot” is “compañero” — gebruik 'compañero' wanneer je refereert aan iemand met wie je een woning deelt, zoals een kamergenoot of iemand met wie je een appartement deelt..
compañero
Voorbeelden
Mi compañero de piso es muy ordenado.
Mijn huisgenoot is erg opgeruimd.
familiar
/fah-mee-lee-AHR//fa.miˈljar/

Voorbeelden
Voy a cenar con un familiar que vive conmigo temporalmente.
Ik ga eten met een familielid die tijdelijk bij me woont.
Voy a visitar a mis familiares que viven en el extranjero.
Ik ga mijn familieleden bezoeken die in het buitenland wonen.
Es la familiar más joven de toda la familia.
Zij is het jongste familielid van de hele familie.
Todos los familiares se reunieron para el funeral.
Alle familieleden verzamelden zich voor de begrafenis.
Geslachtsveranderingen
Wanneer familiar als zelfstandig naamwoord wordt gebruikt, verwijst het naar een persoon. Het verandert op basis van het geslacht van de persoon: el familiar (mannelijk familielid) en la familiar (vrouwelijk familielid). In het Nederlands is het woord 'familielid' onzijdig (het familielid).
'Familia' gebruiken in plaats van 'Familiar'
Fout: “Mis familiares es muy grande. (Mijn familieleden zijn erg groot.)”
Correctie: Mi familia es muy grande. (Mijn familie is erg groot.) OF Mis familiares son muchos. (Mijn familieleden zijn talrijk.) *Familiar* verwijst naar individuen, *familia* verwijst naar de groep.
Verwarring tussen 'compañero' en 'familiar'
Gerelateerde vertalingen
Leer Spaans met Inklingo
Interactieve verhalen, gepersonaliseerd leren en meer.
