Hoe zeg je "koken" in het Spaans
Het Spaanse woord voor “koken” is “cocinar” — A1 niveau. Dit is een veelgebruikt woord in het dagelijks Spaans.

Voorbeelden
Mi abuela siempre cocina la cena los domingos.
Mijn oma kookt altijd het avondeten op zondag.
¿Qué vas a cocinar hoy? Tengo mucha hambre.
Wat ga je vandaag koken? Ik heb veel honger.
Ella está cocinando un pastel de manzana en el horno.
Ze is een appeltaart aan het bakken in de oven.
Regelmatige -AR-werkwoord
Dit is een eenvoudig, regelmatig werkwoord. Je kunt de standaard uitgangen voor alle '-ar'-werkwoorden gebruiken, wat de vervoeging zeer voorspelbaar maakt. Dit is vergelijkbaar met hoe Nederlandse regelmatige werkwoorden op -en werken.
Verwarring tussen 'Cocinar' en 'Hacer'
Fout: “Hacer la comida (letterlijk 'het eten maken').”
Correctie: Hoewel 'hacer' (doen/maken) soms wordt gebruikt, is 'cocinar' veel specifieker en natuurlijker als je het hebt over de daad van het koken: 'Voy a cocinar la cena.' In het Nederlands gebruiken we ook vaak 'maken' (de maaltijd maken), maar in het Spaans is 'cocinar' de voorkeursterm voor de kookhandeling zelf.
Gerelateerde vertalingen
Leer Spaans met Inklingo
Interactieve verhalen, gepersonaliseerd leren en meer.