Inklingo

Hoe zeg je "echtgenoot" in het Spaans

Het meest gebruikte Spaanse woord voorechtgenootis esposogebruik 'esposo' om naar je eigen echtgenoot te verwijzen, het is een algemene en veelgebruikte term..

Dutch → Spaans

esposo

/es-PO-so//esˈposo/

zelfstandig naamwoordA1neutraal
Gebruik 'esposo' om naar je eigen echtgenoot te verwijzen, het is een algemene en veelgebruikte term.
Een opgewekte man met een eenvoudige trouwring aan zijn linkerhand, die dicht naast zijn partner staat, wat een echtgenoot symboliseert.

Voorbeelden

Mi esposo trabaja en el hospital.

Mijn echtgenoot werkt in het ziekenhuis.

Mi esposo es médico.

Mijn echtgenoot is dokter.

Voy al cine con mi esposo esta noche.

Ik ga vanavond met mijn echtgenoot naar de bioscoop.

El esposo de María es muy amable.

De echtgenoot van Maria is erg aardig.

Geslachtsovereenkomst: Esposo / Esposa

Het Spaans heeft specifieke woorden voor partners op basis van geslacht. Gebruik 'esposo' voor een mannelijke echtgenoot en 'esposa' voor een vrouwelijke echtgenote. De uitgang vertelt je over wie je het hebt!

Het meervoud 'Los Esposos'

Om over een getrouwd stel (een echtgenoot en echtgenote samen) te praten, kun je de meervoudsvorm 'los esposos' gebruiken. Hoewel het eindigt op '-os', verwijst het naar beide personen.

Het gebruik van 'el' in plaats van 'mi'

Fout:Voy con el esposo al mercado.

Correctie: Voy con mi esposo al mercado. (Ik ga met mijn echtgenoot naar de markt). Als je over je eigen echtgenoot praat, moet je 'mi' (mijn) gebruiken, net als in het Nederlands.

marido

/mah-REE-doh//maˈɾido/

zelfstandig naamwoordA1neutraal
Gebruik 'marido' om naar de man te verwijzen met wie iemand getrouwd is, vaak met een iets formelere of traditionelere connotatie dan 'esposo'.
Een kleurrijke illustratie van een lachende man en vrouw die elkaars hand vasthouden, wat een getrouwd stel voorstelt.

Voorbeelden

Mi marido es de Madrid.

Mijn echtgenoot komt uit Madrid.

Mi marido es de México.

Mijn echtgenoot komt uit Mexico.

¿Cómo se llama tu marido?

Hoe heet jouw echtgenoot?

Ella va al cine con su marido todos los viernes.

Zij gaat elke vrijdag met haar echtgenoot naar de film.

Altijd een 'Hij'

Het woord 'marido' is altijd mannelijk, wat betekent dat het naar een man verwijst. Je gebruikt er mannelijke beschrijvende woorden bij, zoals 'el', 'un' en 'mi'.

'Marido' versus 'Esposo'

Fout:Denken dat de één 'goed' is en de ander 'fout'.

Correctie: 'Marido' en 'esposo' betekenen allebei 'echtgenoot', en je kunt ze vaak op dezelfde manier gebruiken. 'Marido' is heel gebruikelijk in het dagelijkse gesprek. 'Esposo' kan iets formeler of juridischer aanvoelen, maar veel mensen gebruiken het ook dagelijks. Met geen van beide kun je fout gaan!

casado

cah-SAH-doh/kaˈsaðo/

zelfstandig naamwoordB2neutraal
Gebruik 'casado' als bijvoeglijk naamwoord of in een algemene context om te verwijzen naar de staat van het getrouwd zijn, niet specifiek naar de persoon.
Een eenvoudige portretillustratie van een vrolijke volwassen man. Zijn linkerhand is licht opgeheven en toont duidelijk een gouden trouwring aan zijn ringvinger.

Voorbeelden

En la encuesta, el 60% de los encuestados eran casados.

In de enquête was 60% van de respondenten getrouwd (getrouwde mannen/mensen).

Llegó tarde porque su casado tuvo un accidente.

Zij kwam te laat omdat haar echtgenoot een ongeluk had gehad. (Minder formele/regionale gebruiksbetekenis voor 'echtgenoot')

De Zelfstandig Naamwoord Vorm

Wanneer 'casado' als zelfstandig naamwoord wordt gebruikt, betekent het 'een getrouwde man'. Als je het over vrouwen hebt, moet je de vrouwelijke vorm gebruiken: 'una casada' (een getrouwde vrouw).

hombre

/OM-breh//ˈombɾe/

zelfstandig naamwoordA1neutraal
Gebruik 'hombre' alleen als je simpelweg 'man' bedoelt en de huwelijkse staat irrelevant is. Dit is geen directe vertaling van 'echtgenoot'.
Een vriendelijk ogende volwassen man, die de meest voorkomende betekenis van 'hombre' vertegenwoordigt.

Voorbeelden

El hombre alto espera en la puerta.

De lange man wacht bij de deur.

El hombre alto lee un libro.

De lange man leest een boek.

¿Conoces a ese hombre de allí?

Ken jij die man daar?

Mi hombre llega a las seis.

Mijn man komt om zes uur thuis.

Altijd Mannelijk

Het woord 'hombre' is altijd mannelijk, dus je gebruikt altijd 'el' of 'un' ervoor. Bijvoorbeeld: 'el hombre' (de man) of 'un hombre' (een man). Dit is vergelijkbaar met het Nederlandse lidwoord 'de' voor 'man'.

Verwarring tussen 'hombre' en 'hombro'

Fout:Me duele el hombre.

Correctie: Me duele el hombro. (Mijn schouder doet pijn). Pas op voor dat ene letterverschil! 'Hombre' is een persoon, 'hombro' is een lichaamsdeel. In het Nederlands is dit verschil duidelijker: 'man' versus 'schouder'.

Verwarring tussen 'esposo' en 'marido'

De meest gemaakte fout is het verkeerd kiezen tussen 'esposo' en 'marido'. Hoewel beide 'echtgenoot' betekenen, wordt 'esposo' vaker gebruikt in de dagelijkse spreektaal voor je eigen partner. 'Marido' kan iets formeler klinken of gebruikt worden om naar iemands echtgenoot te verwijzen.

Leer Spaans met Inklingo

Interactieve verhalen, gepersonaliseerd leren en meer.