Hoe zeg je "seizoen" in het Spaans
Het meest gebruikte Spaanse woord voor “seizoen” is “estación” — gebruik 'estación' voor de vier seizoenen van het jaar (lente, zomer, herfst, winter)..
Dutch → Spaans
estación
zelfstandig naamwoordA1neutraal
Gebruik 'estación' voor de vier seizoenen van het jaar (lente, zomer, herfst, winter).
Voorbeelden
Mi estación favorita es la primavera.
Mijn favoriete seizoen is de lente.
época
zelfstandig naamwoordB1neutraal
Gebruik 'época' voor een specifieke periode of seizoen dat zich jaarlijks herhaalt, zoals het regenseizoen of een oogstseizoen.
Voorbeelden
Estamos en la época de cosecha de uvas.
We zijn in het druivenoogstseizoen.
tiempo
/tyem-po//ˈtjempo/
zelfstandig naamwoordB1neutraal
Gebruik 'tiempo' in de betekenis van 'tijdperk' of 'periode', niet specifiek gebonden aan de seizoenen van het jaar.

Voorbeelden
En tiempos de los romanos, la vida era muy diferente.
In de tijd van de Romeinen was het leven heel anders.
En mis tiempos de estudiante, leía mucho.
In mijn studietijd las ik veel.
Es tiempo de cosecha.
Het is oogsttijd.
Het verschil tussen 'estación' en 'época'
De meest gemaakte fout is het verwisselen van 'estación' en 'época'. Onthoud dat 'estación' echt verwijst naar de vier seizoenen, terwijl 'época' een bredere, vaak terugkerende periode binnen een jaar aangeeft, zoals een oogsttijd.
Leer Spaans met Inklingo
Interactieve verhalen, gepersonaliseerd leren en meer.
