Inklingo

Hoe zeg je "huishouden" in het Spaans

Dutch → Spaans

hogar

/oh-GAR//oˈɣaɾ/

NounA2no context
Gebruik 'hogar' als je het hebt over de plek waar je woont en je thuis voelt, de sfeer van een huis, of een gezinswoning in de ruimste zin.
Een gezellige, felgekleurde cottage met rook uit de schoorsteen, omgeven door weelderig groen onder een zachte, warme hemel, wat een comfortabel thuis symboliseert.

Voorbeelden

Mi hogar está lleno de amor.

Mijn thuis is vol liefde.

No hay lugar como el hogar.

Er gaat niets boven thuis.

Creamos un hogar feliz para nuestros hijos.

We creëerden een gelukkig thuis voor onze kinderen.

Es un centro de acogida para personas sin hogar.

Het is een opvang voor daklozen.

Hogar versus Casa

'Hogar' gaat over het gevoel van thuis zijn—de familie, warmte en het comfort. 'Casa' is het fysieke gebouw of huis. Je woont in een 'casa', maar je creëert een 'hogar'.

Verwarring tussen 'hogar' en 'casa'

Fout:Compré un nuevo hogar con tres dormitorios.

Correctie: Compré una nueva casa con tres dormitorios. Je koopt het fysieke gebouw ('casa') en maakt er vervolgens een 'hogar' van door erin te wonen.

casa

/KAH-sah//ˈkasa/

NounA1no context
Gebruik 'casa' wanneer je specifiek verwijst naar het fysieke gebouw of de woning waarin iemand woont.
Een eenvoudig, gezellig huis met een rood dak en een kleine tuin.

Voorbeelden

Compré una casa nueva en el campo.

Ik heb een nieuw huis op het platteland gekocht.

Mi casa es tu casa.

Mijn huis is jouw huis.

Vamos a casa de María.

Laten we naar het huis van Maria gaan.

Trabajo desde casa.

Ik werk vanuit huis.

Gebruik van 'a casa' versus 'en casa'

Gebruik 'a casa' voor beweging richting huis (zoals 'naar huis gaan'), en 'en casa' voor de locatie thuis (zoals 'thuis zijn'). Bijvoorbeeld: 'Voy a casa' (Ik ga naar huis) versus 'Estoy en casa' (Ik ben thuis).

Het vergeten van het geslacht

Fout:El casa es grande.

Correctie: La casa es grande. Onthoud dat 'casa' een vrouwelijk woord is, dus het gebruikt 'la' en bijvoeglijke naamwoorden die het beschrijven eindigen meestal op '-a'.

familia

/fa-MEE-lee-ah//faˈmi.lja/

NounA1no context
Gebruik 'familia' als je de mensen bedoelt die samen in een huishouden leven en een familieband hebben.
Een gelukkige familie bestaande uit een moeder, een vader en één kind die samen op een groene parkbank zitten en warm glimlachen.

Voorbeelden

Mi familia viene a visitarme este fin de semana.

Mijn familie komt dit weekend langs.

Mi familia vive en Argentina.

Mijn familie woont in Argentinië.

Tengo una familia muy grande.

Ik heb een heel grote familie.

La familia es lo más importante para mí.

Familie is het allerbelangrijkste voor mij.

Altijd Vrouwelijk

Hoewel een familie zowel mannen als vrouwen omvat, is het woord 'familia' altijd vrouwelijk. Dit betekent dat je altijd 'la familia' (de familie) of 'una familia' (een familie) zegt. Dit is anders dan in het Nederlands, waar 'de familie' geen vast genus heeft.

Verwarring tussen 'Familia' en 'Parientes'

Fout:Todos mis parientes viven en mi casa.

Correctie: Mi familia vive en mi casa. 'Familia' is beter voor je directe huishouden. 'Parientes' betekent al je verwanten, inclusief verre neven en nichten met wie je misschien niet samenwoont.

Casa vs. Hogar

De meest gemaakte fout is het door elkaar halen van 'casa' en 'hogar'. 'Casa' verwijst puur naar het gebouw, terwijl 'hogar' de emotionele lading van thuis en de leefomgeving omvat.

Leer Spaans met Inklingo

Interactieve verhalen, gepersonaliseerd leren en meer.