Inklingo

marchar

mar-CHARmaɾˈtʃaɾ

marcheren, lopen

Ook: paraderen, gaan
WerkwoordA2regular ar
Een rij van drie cartoonfiguren, misschien soldaten of scouts, die vastberaden kijken terwijl ze in de pas lopen.
infinitivemarchar
gerundmarchando
past Participlemarchado

📝 In Actie

Los soldados marcharon durante horas bajo la lluvia.

A2

De soldaten marcheerden urenlang in de regen.

La manifestación marchó por el centro de la ciudad.

B1

De demonstratie liep (marcheerde) door het stadscentrum.

Woordverbindingen

Synoniemen

Veelvoorkomende Collocaties

  • marchar lento/rápidolangzaam/snel marcheren

weggaan, vertrekken

Ook: vertrekken
WerkwoordB1regular ar
Een eenzame figuur van achteren gezien, weglopend over een zandweg naar een verre ondergaande zon, wat vertrek symboliseert.
infinitivemarcharse
gerundmarchándose
past Participlemarchado

📝 In Actie

Nos marchamos después de la cena para no molestar.

B1

We zijn na het eten weggegaan om niemand te storen.

¿A qué hora te vas a marchar mañana?

A2

Hoe laat ga je morgen vertrekken?

Woordverbindingen

Synoniemen

Antoniemen

werken, gaan

Ook: draaien, gaan (goed/slecht)
WerkwoordB2regular ar
Een close-up van twee grote, felgekleurde in elkaar grijpende tandwielen die soepel draaien.
infinitivemarchar
gerundmarchando
past Participlemarchado

📝 In Actie

El negocio marcha muy bien este trimestre.

B2

De zaak gaat dit kwartaal erg goed.

Pregunté cómo marchaba la construcción de la casa.

C1

Ik vroeg hoe de bouw van het huis vorderde.

El motor ya no marcha, creo que está roto.

B2

De motor werkt niet meer, ik denk dat hij kapot is.

Woordverbindingen

Synoniemen

Veelvoorkomende Collocaties

  • marchar bien/malgoed/slecht gaan

Idiomen & Uitdrukkingen

  • A toda marchaOp volle snelheid/snel

🔄 Vervoegingen

indicative

present

él/ella/ustedmarcha
yomarcho
marchas
ellos/ellas/ustedesmarchan
nosotrosmarchamos
vosotrosmarcháis

imperfect

él/ella/ustedmarchaba
yomarchaba
marchabas
ellos/ellas/ustedesmarchaban
nosotrosmarchábamos
vosotrosmarchabais

preterite

él/ella/ustedmarchó
yomarché
marchaste
ellos/ellas/ustedesmarcharon
nosotrosmarchamos
vosotrosmarchasteis

subjunctive

present

él/ella/ustedmarche
yomarche
marches
ellos/ellas/ustedesmarchen
nosotrosmarchemos
vosotrosmarchéis

imperfect

él/ella/ustedmarchara/marchase
yomarchara/marchase
marcharas/marchases
ellos/ellas/ustedesmarcharan/marchasen
nosotrosmarcháramos/marchásemos
vosotrosmarcharais/marchaseis

🔀 Commonly Confused With

Vertaal naar het Spaans

Woorden die vertaald worden als "marchar" in het Spaans:

draaiengaanlopenmarcherenparaderenvertrekkenweggaanwerken

✏️ Snelle oefening

Snelle Quiz: marchar

Vraag 1 van 2

Welke zin gebruikt 'marchar' in de figuurlijke zin van 'functioneren of vorderen'?

📚 Meer bronnen

👥 Woordfamilie
la marcha(de mars/het tempo/de versnelling)Zelfstandig naamwoord
marchoso/a(levendig/feestlustig)Bijvoeglijk naamwoord
🎵 Rijmwoorden
📚 Etymologie

Komt van het Oudfrankische woord *markōn*, wat 'markeren' of 'een grens afbakenen' betekende, en evolueerde in het Spaans naar 'langs een route lopen' en later 'vertrekken'.

Eerste vermelding: Medieval Spanish (c. 13th century)

Cognaten (Verwante woorden)

French: marcherItalian: marciare

💡 Beheers Spaans

Til je Spaans naar een hoger niveau. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen op jouw niveau met de Inklingo app!

Veelgestelde Vragen

Is 'marchar' een sterk synoniem voor 'caminar' (lopen)?

Ja, maar 'marchar' suggereert vaak een iets bewuster, formeler of gemeten tempo dan 'caminar'. Het is perfect voor wanneer mensen in een rij of processie lopen.

Hoe gebruik ik 'la marcha'?

'La marcha' is de zelfstandige naamwoordvorm en heeft een paar veelvoorkomende betekenissen: 'het tempo' (bijv. 'a buen marcha' = in een goed tempo), 'de versnelling' in een auto, of 'een mars/demonstratie'.