Inklingo

Verwarrende Spaanse paren: 590+ woorden & regels uitgelegd

Stop met het verwarren van ser vs estar, por vs para en tientallen andere. Duidelijke regels, vergelijkingen naast elkaar en oefeningen voor elk verwarrend Spaans paar.

590+Verwarrende paren
5Categorieën
A1-C2ERK-niveaus

Meest verwarrende paren

Dit zijn de paren waar leerders het vaakst over struikelen. Begin hier.

Blader op categorie

Verken verwarrende paren geordend op type: werkwoorden, voorzetsels, tijden en meer.

Alle verwarrende paren

Zoek, filter en vind precies het paar waar je hulp bij nodig hebt.

590 van 590 paren weergegeven

a fin de que vs para que

Gebruik 'para que' voor het alledaagse 'zodat'. Gebruik 'a fin de que' voor formele situaties of om een einddoel te benadrukken.

B1★★★☆☆

a menos que vs a no ser que

Ze zijn synoniemen! Beide betekenen 'tenzij' en vereisen altijd de subjunctief. 'A no ser que' is gewoon iets formeler.

B1★★☆☆☆

a pesar de vs pese a

Ze betekenen hetzelfde ('ondanks'). 'Pese a' is gewoon een kortere, iets formelere versie.

B1★★☆☆☆

a vs en

A is voor beweging (naar), EN is voor locatie (in/op).

A1★★★★☆

a vs en

'A' is voor een precies tijdstip (zoals een kloktijd). 'En' is voor een tijdscontainer (zoals een maand of jaar).

A1★★★☆☆

a vs hacia

Gebruik 'a' voor een specifieke bestemming. Gebruik 'hacia' voor een algemene richting.

A2★★★☆☆

abajo vs debajo

Abajo = naar beneden (richting/algemeen gebied). Debajo de = onder (een specifiek ding).

A2★★★☆☆

aburrirse vs cansarse

Aburrirse = mentale toestand (verveeld). Cansarse = fysieke toestand (moe).

A2★★★☆☆

acabar de + infinitivo vs pretérito

Gebruik 'acabar de' voor iets dat *net* gebeurd is. Gebruik de onvoltooid verleden tijd (preteritum) voor al het andere in het verleden.

A2★★★☆☆

acabar de vs terminar de

Beide betekenen 'zojuist iets gedaan hebben', maar 'acabar de' is veel gebruikelijker in alledaagse spraak. Bij twijfel, gebruik 'acabar de'.

A2★★☆☆☆

acabar vs terminar

Terminar = een taak beëindigen. Acabar = iets *net* af hebben, of ergens 'in belanden'.

A2★★★☆☆

aceptar vs admitir

Aceptar = iets gewillig ontvangen. Admitir = iets toegeven of toegang verlenen.

B1★★★☆☆

acordar vs acordarse de

Acordar = overeenkomen/afspreken. Acordarse de = zich herinneren.

B1★★★★☆

acostumbrar vs acostumbrarse a

Acostumbrar = Iemand ANDERS ergens aan laten wennen. Acostumbrarse a = Zelf ergens aan wennen.

B1★★★☆☆

active voice vs passive voice with ser

Actief: WIE deed het? Passief: WAT werd eraan GEDAAN?

B1★★★☆☆

actual vs real

Actual = huidig/van nu. Real = echt (niet nep).

A2★★★★☆

acuerdo vs contrato

Een acuerdo is een handdruk; een contrato is een handtekening.

B1★★★☆☆

adelante vs delante

Adelante = voorwaartse beweging. Delante = 'voor' een locatie.

A2★★★★☆

además vs aparte de

Además = 'En bovendien...' (voegt toe aan hetzelfde idee). Aparte de = 'Behalve...' of 'Afgezien van...' (zet iets apart).

B1★★★☆☆

además vs también

Gebruik `también` voor 'ook' of 'eveneens'. Gebruik `además` voor 'bovendien' of 'daarnaast'.

A2★★★☆☆

adentro vs dentro

'Adentro' duidt beweging *naar binnen* een plek aan. 'Dentro' beschrijft de locatie *binnen* een plek.

A2★★★☆☆

adonde / a donde vs adónde

Gebruik `adónde` met een accent voor vragen ('naar waar?'). Gebruik `adonde` of `a donde` zonder accent voor mededelingen die naar een plaats verwijzen.

B1★★★★☆

advertir vs avisar

Advertir = waarschuwen voor gevaar. Avisar = informeren of een heads-up geven.

B1★★★★☆

afuera vs fuera

Gebruik `afuera` voor beweging naar buiten. Gebruik `fuera` voor een locatie buiten.

A2★★★☆☆

agarrar vs coger

Gebruik bij twijfel 'agarrar'. Het betekent overal 'pakken' of 'grijpen'. 'Coger' is gebruikelijk in Spanje, maar is een vulgair woord in het grootste deel van Latijns-Amerika.

A2★★★★☆

agradecer vs dar las gracias

'Agradecer' = één werkwoord voor 'iemand bedanken voor iets'. 'Dar las gracias' = de handeling van 'dank uitspreken'.

A2★★★☆☆

ahora vs ya

Ahora = nu (het huidige moment). Ya = al / niet langer (er is een verandering opgetreden). Ahorita = *precies* nu (of misschien later... het is ingewikkeld!).

A2★★★★☆

al + infinitive vs cuando + verb

Gebruik 'al + infinitief' voor een snel 'bij het doen van iets'. Gebruik 'cuando + werkwoord' voor een algemener 'wanneer iets gebeurt'.

B1★★★☆☆

alcanzar vs llegar

Llegar = aankomen op een bestemming. Alcanzar = iets reiken of inhalen.

B1★★★★☆

alegrar vs alegrarse

Alegrar = iets maakt iemand anders blij. Alegrarse = jij wordt blij.

A2★★★☆☆

algo vs nada

Algo = iets. Nada = niets. Onthoud de 'dubbele ontkenning'-regel: No + werkwoord + nada.

A1★★☆☆☆

alguien vs nadie

Alguien voor 'iemand' in positieve zinnen. Nadie voor 'niemand' in negatieve zinnen.

A1★★★☆☆

algún vs alguno

Gebruik `algún` direct VOOR een mannelijk zelfstandig naamwoord. Gebruik `alguno` om een mannelijk zelfstandig naamwoord te VERVANGEN.

A2★★★☆☆

alguno vs ninguno

Alguno = 'enige' of 'wat' (positief). Ninguno = 'geen' of 'niet één' (negatief).

A2★★★☆☆

allá vs ahí

Ahí is 'daar'. Allá is 'ver weg daar'.

A2★★★★☆

almuerzo vs comida

Comida is de hoofdmaaltijd (meestal de lunch). Almuerzo is een lichtere lunch of een tussendoortje in de voormiddag.

A2★★★★☆

alrededor de vs en torno a

Alrededor de = fysieke ruimte of getallen. En torno a = figuurlijk onderwerp.

B1★★★☆☆

alto vs largo

Alto = hoogte (omhoog/omlaag). Largo = lengte (zijwaarts).

A1★★★☆☆

alzar vs levantar

Levantar is het alledaagse 'optillen' of 'oprapen'. Alzar is een formeler, opwaarts 'verheffen' of 'oprichten'.

B1★★★☆☆

ambos vs los dos

Gebruik 'ambos' voor een formele of geschreven toon. Gebruik 'los dos' voor alledaagse conversatie. Ze betekenen bijna altijd hetzelfde: 'beide'.

A2★★★☆☆

ancho vs amplio

Ancho = breed (van links naar rechts). Amplio = ruim of uitgestrekt (in het algemeen).

B1★★★☆☆

ante vs delante de

Gebruik 'ante' voor figuurlijke situaties. Gebruik 'delante de' voor fysieke locaties.

B1★★★☆☆

antes de vs delante de

Antes de = vóór in TIJD. Delante de = vóór/vooraan in RUIMTE.

A2★★★★☆

apagar vs extinguir

Apagar = uitzetten (dagelijkse dingen). Extinguir = definitief doven/blussen (grote branden, een soort).

B1★★★☆☆

aparte vs a parte

Aparte (één woord) = afzonderlijk of behalve. A parte (twee woorden) = een deel van iets.

B1★★★★☆

aplicar vs solicitar

Gebruik `solicitar` voor banen en aanvragen. Gebruik `aplicar` om iets aan te brengen, zoals lotion of een regel.

B1★★★★☆

apoyar vs soportar

Apoyar = emotionele of financiële steun (ondersteunen/ruggen). Soportar = fysieke ondersteuning (dragen) OF iets verdragen/tolereren.

B1★★★★☆

aprovechar vs disfrutar

Aprovechar = het maximale uit een kans halen. Disfrutar = genieten van het gevoel.

A2★★★★☆

aproximadamente vs más o menos

Aproximadamente = formeel en precies geschat. Más o menos = informeel gegokt en 'zozo'.

A2★★★☆☆

aquello vs aquel

Aquel beschrijft een zelfstandig naamwoord. Aquello vervangt een zelfstandig naamwoord of verwijst naar een idee.

A2★★★☆☆

aquí vs acá

Aquí is een precieze 'precies hier'. Acá is een algemene 'hier in de buurt'.

A2★★★☆☆

arreglar vs reparar

Arreglar = repareren, opruimen of regelen. Reparar = iets kapots maken.

B1★★★☆☆

arreglar vs organizar

Arreglar = repareren of opruimen. Organizar = structureren of plannen.

A2★★★☆☆

arriba vs encima

Arriba = algemene richting 'omhoog'. Encima = 'bovenop' een specifiek oppervlak.

A2★★★☆☆

asimismo / así mismo vs a sí mismo

Eén woord (asimismo) = 'ook'. Drie woorden (a sí mismo) = 'aan zichzelf'. Twee woorden (así mismo) kunnen beide betekenen.

B1★★★★☆

asistir vs ayudar

Gebruik 'asistir' voor het bijwonen van een evenement en 'ayudar' voor het helpen van iemand.

A2★★★☆☆

asustar vs asustarse

Asustar is wat je IEMAND ANDERS AANDOET. Asustarse is wat je ZELF VOELT.

A2★★★☆☆

atender vs asistir

Atender = aandacht besteden AAN (bedienen, opletten). Asistir = aanwezig zijn bij (bijwonen).

A2★★★★☆

atrás vs detrás

Gebruik `detrás de` voor 'achter iets specifieks'. Gebruik `atrás` voor de algemene richting 'achteruit' of het algemene gebied 'achterin'.

A2★★★★☆

atreverse vs osar

Gebruik `atreverse` voor alledaagse durf. Gebruik `osar` voor dramatische, literaire of formele durf.

B1★★★☆☆

aun vs aún

Aún (accent) = 'nog'/'toch' (todavía). Aun (geen accent) = 'zelfs' (incluso).

B1★★★★☆

aunque vs a pesar de que

'Aunque' is uw alleskunner voor 'hoewel/zelfs als'. 'A pesar de que' is een formelere variant voor 'ondanks het feit dat'.

B1★★★☆☆

avisar vs informar

Avisar is een informeel seintje of waarschuwing. Informar is een formeel verslag of officiële mededeling.

B1★★★☆☆

aviso vs advertencia

Een 'aviso' is een heads-up (een seintje). Een 'advertencia' is een waarschuwing voor gevaar.

B1★★★☆☆

bajar vs bajarse

Bajar = iets anders verlagen. Bajarse = jezelf naar beneden/uit iets krijgen.

A2★★★★☆

bajo vs debajo de

Gebruik `debajo de` voor 'onder' een specifiek object. Gebruik `bajo` voor concepten, omstandigheden of algemene laagte.

A2★★★★☆

bañar vs bañarse

Bañar = iemand/iets anders wassen. Bañarse = jezelf wassen.

A2★★★☆☆

bastante vs suficiente

Suficiente = genoeg (voldoet aan een minimum). Bastante = ruim voldoende (vaak meer dan genoeg).

A2★★★☆☆

basto vs vasto

Basto is grof of onbeschoft. Vasto is uitgestrekt of enorm.

B1★★★☆☆

beber vs beberse

Beber = de algemene handeling van drinken. Beberse = het helemaal opdrinken.

A2★★★☆☆

conditional of courtesy vs imperfect of courtesy

De condicional is een beleefd 'zou/kon'. Het imperfectum is een zachtere 'ik vroeg me af...'

B1★★★★☆

bien vs bueno

Bien = goed/wel (hoe). Bueno = goed (wat).

A1★★★★☆

boleto / billete vs entrada

Gebruik 'boleto' of 'billete' voor vervoer. Gebruik 'entrada' voor toegang tot een locatie of evenement.

A2★★★★☆

bosque vs selva

Bosque = bos (koeler, gematigd). Selva = jungle (heet, tropisch).

A2★★★☆☆

bueno vs buen

'Buen' komt VOOR een mannelijk zelfstandig naamwoord. 'Bueno' wordt overal elders gebruikt.

A1★★☆☆☆

buscar vs encontrar

Buscar = Het Zoeken. Encontrar = Het Succes.

A2★★★☆☆

caber vs entrar

Caber gaat over 'of' iets past (ruimte/capaciteit). Entrar gaat over de 'handeling' van binnengaan.

B1★★★★☆

cabeza vs mente

Cabeza is het fysieke hoofd. Cerebro is de fysieke hersenen. Mente is de abstracte geest.

A2★★★☆☆

cada vs todo

Cada = elk/ieder (individueel). Todo = alle/heel (de hele groep samen).

A2★★★☆☆

caer vs caerse

Caer = vallen (zoals regen of bladeren). Caerse = naar beneden vallen (zoals een persoon of een vaas).

A2★★★★☆

calentar vs calentarse

Calentar = je verwarmt iets anders. Calentarse = iets (of iemand) wordt warm/boos.

A2★★★☆☆

caliente vs caluroso

Caliente is voor dingen die je aanraakt. Caluroso is voor het weer dat je voelt.

A2★★★★☆

calle vs carretera

Calle = in een stad. Carretera = tussen steden. Camino = elk pad, weg of route.

A2★★★☆☆

cambiar vs cambiarse

Cambiar = iets veranderen. Cambiarse = jezelf veranderen.

A2★★★☆☆

campo vs campaña

Campo = een fysieke plek (het platteland, een veld). Campaña = een georganiseerde inspanning (een campagne) of een uitgestrekte, open vlakte.

A2★★★☆☆

cara vs rostro

Cara = het fysieke gezicht. Rostro = het expressieve, poëtische gezicht.

B1★★★☆☆

carrera vs profesión

Carrera = uw gehele professionele traject. Profesión = uw specifieke functietitel of vakgebied.

B1★★★☆☆

casa vs hogar

Casa = het fysieke gebouw. Hogar = het gevoel van thuis.

A2★★★☆☆

casi vs apenas

Casi = er is iets BIJNA gebeurd (maar het is niet gebeurd). Apenas = er is iets NIPT gebeurd (het is wel gebeurd).

A2★★★☆☆

cerca de vs junto a

Cerca de = in de buurt/in de omgeving. Junto a = pal naast/raakvlak.

A2★★★☆☆

cercano vs próximo

Cercano = fysiek of emotioneel dichtbij. Próximo = 'volgende' in tijd of volgorde.

A2★★★☆☆

cierto vs verdadero

Cierto = zeker/bekend. Verdadero = waar/feitelijk.

B1★★★★☆

cita vs fecha

Fecha = een datum op de kalender. Cita = een afspraak met iemand.

A2★★★★☆

claro vs obvio

Claro betekent 'duidelijk' (gemakkelijk te begrijpen). Obvio betekent 'overduidelijk' (vereist geen bewijs).

B1★★★☆☆

clase vs aula

Clase = de les of de studenten. Aula = de fysieke ruimte.

A2★★★☆☆

clase vs tipo

Tipo = algemeen 'soort'. Clase = groep/kwaliteit. Categoría = officieel systeem.

B1★★★☆☆

cocinar vs cocer

Cocinar is de algemene handeling van het bereiden van een maaltijd. Cocer is een specifieke methode: koken (in water) of bakken (in de oven).

A2★★★☆☆

coger vs tomar

Coger = pakken/vangen. Tomar = nemen/drinken. Bij twijfel, gebruik altijd tomar.

A2★★★★☆

colegio vs escuela

Escuela is het algemene woord voor 'school'. Colegio betekent vaak 'middelbare school' of een privéschool.

A2★★★☆☆

colgar vs tender

Colgar = ophangen aan een punt (haak, kledinghanger). Tender = uithangen om te drogen (waslijn).

A2★★★☆☆

comer vs comerse

Gebruik `comer` voor de algemene handeling van eten. Gebruik `comerse` om te benadrukken dat je iets specifieks helemaal opeet.

A2★★★☆☆

comida vs alimento

Comida is een maaltijd die je eet. Alimento is een substantie die voedt.

A2★★★☆☆

como + indicative vs como + subjunctive

De indicatief beschrijft een feit (hoe het IS). De subjunctief geeft een bevel of mogelijkheid (hoe het ZOU MOETEN zijn).

B1★★★★☆

como si vs aunque

Como si = fantasie (alsof). Aunque = realiteit (hoewel).

B1★★★★☆

como vs cómo

Cómo met een accentteken stelt een vraag ('Hoe?'). Como zonder accentteken verbindt ideeën ('zoals', 'als') of betekent 'ik eet'.

A1★★★☆☆

cómodo vs conveniente

Cómodo gaat over fysiek of emotioneel comfort. Conveniente gaat over praktische bruikbaarheid of geschiktheid.

B1★★★☆☆

complicado vs complejo

'Complicado' betekent moeilijk op te lossen. 'Complejo' heeft veel onderling verbonden onderdelen.

B1★★★☆☆

con tal de que vs siempre que

Gebruik 'con tal de que' voor één enkele, niet-onderhandelbare voorwaarde. Gebruik 'siempre que' voor een voortdurende voorwaarde OF om 'wanneer dan ook' te betekenen.

B1★★★★☆

con vs de

Con = met (samen). De = van (gemaakt van / behoort tot).

A1★★★☆☆

conditional vs imperfect subjunctive

Het Conditioneel is het 'zou'-gedeelte van een fantasie. Het Imperfectum Subjuntivo is het 'als'-gedeelte.

B2★★★★★

conditional vs future of probability

Conditioneel = gokken over het VERLEDEN. Toekomstige tijd = gokken over het HEDEN.

B1★★★★☆

confiar en vs fiarse de

Confiar en = diep vertrouwen (geloof). Fiarse de = praktisch vertrouwen (betrouwbaarheid).

B1★★★★☆

confundir vs confundirse

Confundir = iemand/iets anders in de war brengen. Confundirse = zelf in de war raken.

A2★★★☆☆

conmigo vs con mí

Gebruik altijd 'conmigo'. 'Con mí' is 99% van de tijd onjuist.

A1★★☆☆☆

conocer vs reunirse

Conocer = iemand voor de eerste keer ontmoeten. Reunirse = afspreken met mensen die je al kent.

A2★★★☆☆

conocimiento vs sabiduría

Conocimiento is het kennen van feiten. Sabiduría is weten wat je met die feiten moet doen.

B1★★★☆☆

conque vs con que / con qué

conque = 'dus...'; con que = 'waarmee'; con qué = 'waarmee?'

B1★★★★☆

consejo vs aviso

Consejo is behulpzaam advies. Aviso is een formele waarschuwing of mededeling.

A2★★★☆☆

consigo vs con sí

Consigo = fysiek 'met' zichzelf. Con sí = mentaal 'met' of 'over' zichzelf.

B1★★★★☆

consistir en vs constar de

Consistir en = de 'essentie' of 'waar het om gaat'. Constar de = de 'delen' of 'waar het uit bestaat'.

B1★★★★☆

contigo vs con ti

Gebruik altijd 'contigo' voor 'met jou'. 'Con ti' is 99% van de tijd onjuist.

A1★★★★☆

contra vs frente a

Contra = tegen/in oppositie. Frente a = tegenover/geconfronteerd met.

B1★★★☆☆

contratar vs emplear

Contratar = de gebeurtenis van het aannemen. Emplear = de staat van in dienst zijn.

B1★★★☆☆

convertir vs convertirse en

Convertir = een ding veranderen. Convertirse en = een nieuw ding worden.

B1★★★★☆

vaso vs taza

Vaso voor koude dranken (geen oor), Taza voor warme dranken (met oor), Copa voor wijn/cocktails (met voet/steel).

A1★★★☆☆

cortar vs romper

Cortar is een schone scheiding met een werktuig. Romper is breken of scheuren, vaak met geweld.

A2★★★☆☆

corto vs breve

Corto is voor fysieke lengte. Breve is voor tijd.

B1★★★☆☆

costumbre vs hábito

Costumbre = sociaal/cultureel (wat WIJ doen). Hábito = persoonlijk/individueel (wat IK doe).

B1★★★☆☆

crear vs creer

Crear betekent 'creëren' (iets nieuws maken). Creer betekent 'geloven' (denken dat iets waar is).

A2★★★☆☆

crecer vs cultivar

Crecer is wat dingen vanzelf doen; cultivar is wat jij met ze doet.

B1★★★☆☆

cuál vs qué

Gebruik `cuál` om te KIEZEN uit een groep. Gebruik `qué` om te DEFINIËREN of UIT TE LEGGEN.

A1★★★★☆

cualquiera vs quienquiera

Cualquiera = iedereen/elk *ding*. Quienquiera = wie dan ook (*alleen personen*, en het is formeel).

B1★★★☆☆

cuando vs cuándo

Het accent op 'cuándo' geeft aan dat het een vraagwoord is.

A1★★★☆☆

cuanto vs cuánto

Cuánto met een accentteken wordt gebruikt om een vraag te stellen of een uitroep te doen. Cuanto zonder accent verbindt zinsdelen.

A1★★★☆☆

cuarto vs habitación

Cuarto is elke 'kamer'. Habitación is een 'kamer' om in te wonen/slapen.

A1★★☆☆☆

cuenta vs factura

Cuenta = de rekening (wat je verschuldigd bent). Factura = de factuur (officieel/zakelijk). Recibo = het ontvangstbewijs (bewijs van betaling).

A2★★★★☆

cuidar vs atender

Cuidar = zorgen VOOR iemand/iets. Atender = aandacht BESTEDEN AAN een persoon/taak.

A2★★★★☆

cumplir vs realizar

Gebruik **cumplir** om een plicht, belofte of leeftijd te *vervullen*. Gebruik **realizar** om een project of droom *te verwezenlijken* (letterlijk: 'echt te maken').

B1★★★★☆

cuyo vs del cual

Gebruik `cuyo` voor 'wiens' om bezit aan te geven. Gebruik `del cual` voor 'waarvan' of 'waarover' om terug te verwijzen naar iets.

B2★★★★☆

dar vs darse

Dar = iets WEGgeven. Darse = iets gebeurt JOU.

A2★★★★☆

dato vs información

Dato = een enkel datapunt. Información = verwerkte data die inzicht geeft.

B1★★★☆☆

de hecho vs en efecto

'De hecho' voegt nieuwe of verrassende informatie toe. 'En efecto' bevestigt wat net gezegd is.

B1★★★★☆

de modo que vs de manera que

Ze zijn 90% uitwisselbaar voor 'zodat'. Gebruik 'de modo que' voor een simpel 'dus...' (resultaat).

B1★★★☆☆

de vs por

De = oorzaak is een interne toestand (emotie/gevoel). Por = oorzaak is een externe reden of motief.

A2★★★★☆

de vs

Zonder accent = 'van' of 'afkomstig uit'. Met accent = werkwoord 'geven'.

A1★★★★☆

de vs desde

De = VAN of OMF (oorsprong). Desde = SINDS of VANAF (startpunt).

A1★★★☆☆

de vs en

Gebruik 'de' voor waar iets van gemaakt is. Gebruik 'en' voor het artistieke medium of de stijl waarin het gemaakt is.

A2★★★☆☆

debajo de vs abajo

Gebruik 'debajo de' voor 'onder *iets*'. Gebruik 'abajo' voor 'naar beneden' of 'beneden (verdieping)'.

A2★★★★☆

deber vs deber de

Deber = Plicht (moeten/zouden moeten). Deber de = Waarschijnlijkheid (moet zijn/waarschijnlijk).

B1★★★★☆

deber vs tener que

Deber = moeten/behoren (morele plicht/advies). Tener que = moeten/zijn verplicht (noodzaak/sterke verplichting).

A2★★★★☆

debido a vs a causa de

Gebruik 'debido a' voor neutrale redenen. Gebruik 'a causa de' voor negatieve oorzaken.

B1★★★☆☆

decidir vs decidirse

Decidir = WAT je beslist. Decidirse = je BESLUIT NEMEN.

B1★★★☆☆

dedicar vs dedicarse a

Dedicar = je geeft IETS. Dedicarse a = je geeft JEZELF aan een activiteit (zoals een beroep).

B1★★★☆☆

dejar de vs parar de

Dejar de = stoppen met een gewoonte. Parar de = een actie stoppen.

B1★★★★☆

dejar vs salir

Gebruik `dejar` voor het achterlaten van *dingen* of *mensen*. Gebruik `salir` voor het verlaten van *plaatsen*.

A2★★★★☆

delgado vs flaco

Delgado = slank (neutraal of positief). Flaco = mager (vaak negatief of informeel).

A2★★★☆☆

demás vs de más

Demás (één woord) = 'de rest' of 'de anderen'. De más (twee woorden) = 'te veel' of 'extra'.

B1★★★★☆

demasiado vs bastante

Demasiado = te veel (het is een probleem). Bastante = genoeg of behoorlijk veel (het is oké).

A2★★★☆☆

demasiado vs mucho

Mucho = veel. Demasiado = te veel (een negatieve overmaat).

A2★★★☆☆

demostrar vs mostrar

Mostrar = tonen. Demostrar = een *bewijs* tonen.

B1★★★☆☆

depender de vs contar con

Depender de = Het hangt af van (een voorwaarde). Contar con = Ik kan rekenen op (een hulpbron of persoon).

B1★★★☆☆

desde vs hace

Desde = 'sinds' een startpunt. Hace = 'geleden' voor een tijdsduur.

A2★★★★☆

despacio vs lentamente

Gebruik 'despacio' voor het alledaagse 'langzaam'. Gebruik 'lentamente' om formeler, beschrijvender of literairder te klinken.

A2★★★☆☆

despedir vs despedirse

Despedir = iemand ontslaan. Despedirse = afscheid nemen.

A2★★★☆☆

despertar vs despertarse

Despertar is iemand anders wakker maken. Despertarse is jezelf wakker worden.

A2★★★☆☆

después de vs detrás de

Después de = Tijd (after). Detrás de = Ruimte (behind).

A1★★★☆☆

devolver vs regresar

Devolver = een object teruggeven. Regresar = zelf teruggaan.

A2★★★★☆

diario vs cotidiano

Diario = gebeurt elke dag. Cotidiano = maakt deel uit van de routine van het dagelijks leven.

B1★★★☆☆

diferente vs distinto

Ze zijn 99% uitwisselbaar. Gebruik 'diferente' als uw standaardkeuze. Gebruik 'distinto' om een lichte nadruk te leggen op 'apart' of 'uniek'.

A2★★☆☆☆

difícil vs duro

Difícil verwijst naar mentale inspanning (complex). Duro verwijst naar fysieke inspanning of textuur (hard/stevig).

A2★★★☆☆

dinero vs plata

'Dinero' is het standaardwoord voor 'geld'. 'Plata' is informeel 'geld' (vooral in Latijns-Amerika). 'Moneda' is een 'muntstuk' of 'munteenheid'.

A2★★★☆☆

direct object vs indirect object

Direct object = WIE of WAT ontvangt de handeling. Indirect object = AAN WIE of VOOR WIE de handeling wordt uitgevoerd.

A2★★★★☆

disculpar vs perdonar

Disculpar = Pardon/Excuseer mij (voor een kleine blunder). Perdonar = Vergeving (voor een echte kwetsing).

B1★★★☆☆

discutir vs argumentar

Discutir = ruzie maken of debatteren (vaak met emotie/hitte). Argumentar = een argument opbouwen (met logica).

B1★★★★☆

disfrutar de vs gozar de

Disfrutar = je geniet van iets dat je aan het doen bent. Gozar = je geniet van iets dat je bezit of hebt.

B1★★★☆☆

dolor vs molestia

Dolor is echte pijn. Molestia is ongemak, ergernis of een hinder.

A2★★★☆☆

donde vs adónde

Donde = locatie (waar zich bevindend). Adónde = bestemming (waarheen).

A2★★★☆☆

donde vs dónde

Accent voor een vraag, geen accent voor een mededeling.

A1★★★☆☆

dormir vs dormirse

Dormir = slapen (de gehele handeling). Dormirse = in slaap vallen (het moment dat het begint).

A2★★★☆☆

durar vs tardar

Durar = hoe lang iets duurt. Tardar = hoe lang iemand/iets nodig heeft.

A2★★★★☆

echar vs echarse

Echar is iets naar BUITEN gooien, echarse is jezelf naar BINNEN gooien (op een plek of in een actie).

A2★★★★☆

echar vs tirar

Echar = voorzichtig toevoegen/plaatsen. Tirar = weggooien. Lanzar = met kracht lanceren.

B1★★★★☆

educado (polite) vs educado (educated)

'Ser educado' betekent dat je goede manieren hebt (beleefd). Om te zeggen dat iemand geschoold is, gebruik je 'tener estudios' of 'ser una persona culta'.

A2★★★★☆

ejemplo vs muestra

Ejemplo legt een concept uit. Muestra is een fysiek stuk van iets.

B1★★★☆☆

ejercicio vs práctica

Ejercicio = een enkele taak of oefening. Práctica = de algemene gewoonte of het proces van iets doen.

A2★★★☆☆

el capital vs la capital

El capital = geld ($$). La capital = een stad (📍).

A2★★★☆☆

el cólera vs la cólera

"El cólera" is de ziekte. "La cólera" is de woede.

B1★★★☆☆

el cometa vs la cometa

"El cometa" is in de ruimte, "la cometa" is in je hand.

A1★★☆☆☆

el cura vs la cura

El cura = de PRIESTER. La cura = de GENEZING/KUUR.

A2★★★☆☆

el editorial vs la editorial

El editorial = een opiniestuk. La editorial = een uitgeverij.

B1★★★☆☆

el frente vs la frente

El frente = De voorkant (van een gebouw, oorlog). La frente = Het voorhoofd.

A2★★★☆☆

el guía vs la guía

El guía = de mannelijke gids (persoon). La guía = de vrouwelijke gids (persoon) OF het reisgidsboek (ding).

A2★★★☆☆

el más vs -ísimo

Gebruik 'el más' om te vergelijken binnen een groep. Gebruik '-ísimo' om aan te geven dat iets 'extreem' is op zichzelf.

A2★★★☆☆

el orden vs la orden

El orden = schikking/volgorde. La orden = een bevel.

A2★★★★☆

el papa vs la papa

El papa is de Paus. La papa is de aardappel.

A1★★★☆☆

el pendiente vs la pendiente

El pendiente = oorbel. La pendiente = helling.

B1★★★☆☆

el policía vs la policía

El policía = de mannelijke agent. La policía = de vrouwelijke agent OF de politie (de eenheid).

A1★★★☆☆

el radio vs la radio

El radio = het fysieke apparaat. La radio = het uitzendmedium.

A1★★★☆☆

el vs él

Geen accent = 'de'/'het'. Accent = 'hij'.

A1★★★☆☆

elegir vs escoger

Ze zijn grotendeels uitwisselbaar. Gebruik 'escoger' voor alledaagse keuzes. Gebruik 'elegir' wanneer het formeler aanvoelt, zoals bij stemmen.

A2★★☆☆☆

emocionar vs emocionarse

Emocionar = iemand anders opwinden/onroeren. Emocionarse = zelf opgewonden/emotioneel raken.

A2★★★☆☆

empezar vs comenzar

Ze zijn voor 95% uitwisselbaar. Gebruik 'empezar' voor alledaagse gesprekken en 'comenzar' voor een iets formeler of officiëler gevoel.

A1★★☆☆☆

en cambio vs por el contrario

Gebruik 'en cambio' voor 'aan de andere kant' (een ander alternatief). Gebruik 'por el contrario' voor 'integendeel' (het exacte tegenovergestelde).

B1★★★★☆

en cuanto vs tan pronto como

Beide betekenen 'zodra' en zijn bijna altijd uitwisselbaar.

B1★★☆☆☆

en resumen vs en conclusión

En resumen = 'Hier is de korte versie.' En conclusión = 'Hier is de slotgedachte.'

B1★★★☆☆

en vs a

En = binnen of op (een statische locatie). A = naar of richting (een bestemming).

A1★★★☆☆

en vs sobre

Gebruik 'en' voor algemeen contact ('in'/'op'/'aan'). Gebruik 'sobre' om te benadrukken dat iets 'bovenop' iets anders ligt.

A1★★★☆☆

en vs dentro de

Gebruik 'en' voor algemene locaties (in/op). Gebruik 'dentro de' om te benadrukken dat je fysiek *binnen* een grens of container bent.

A2★★★☆☆

encender vs prender

Encender is voor elektronica en emoties. Prender is voor vuur en 'aanslaan' (iets begint te branden/populair te worden).

A2★★★☆☆

encima de / sobre vs arriba de

Gebruik 'encima de' of 'sobre' voor dingen die ELKAAR RAKEN. Gebruik 'arriba de' voor dingen die ELKAAR NIET raken.

A2★★★☆☆

encontrar vs encontrarse

Encontrar = iets vinden (zoals sleutels). Encontrarse = jezelf ergens bevinden, je voelen (op een bepaalde manier), of iemand ontmoeten.

A2★★★☆☆

enfermedad vs dolencia

Enfermedad is de officiële diagnose; dolencia is de pijn of het ongemak dat je voelt.

B1★★★☆☆

enfriar vs enfriarse

Enfriar = je koelt iets anders af. Enfriarse = iets koelt vanzelf af.

A2★★★☆☆

single negation vs double negation

In het Spaans maken twee 'nee'-woorden geen 'ja'. Ze maken een sterker 'nee'.

A2★★★★☆

enojado vs enfadado

'Enojado' = 'boos' overal. 'Enfadado' = 'boos' voornamelijk in Spanje.

A2★★☆☆☆

enojar vs enojarse

Enojar = iemand anders boos maken. Enojarse = zelf boos worden.

A2★★★★☆

enseguida vs de inmediato

Enseguida = 'Zo meteen' (het eerstvolgende). De inmediato = 'ONMIDDELLIJK!' (dringend, laat alles vallen).

A2★★★☆☆

enseñar vs aprender

Enseñar is Kennis GEVEN (onderwijzen). Aprender is Kennis KRIJGEN (leren).

A1★★☆☆☆

enterarse vs saber

Saber = weten (een feit). Enterarse = erachter komen (het nieuws).

B1★★★★☆

entero vs completo

Entero = geheel/ondeelbaar. Completo = afgerond/alle onderdelen inbegrepen.

B1★★★☆☆

entre vs dentro de

Entre = tussen dingen/middenin. Dentro de = binnenin een omhulsel of grens.

A2★★★☆☆

entregar vs dar

Dar = geven (algemeen). Entregar = bezorgen of overhandigen (formeel/transactioneel).

A2★★★☆☆

enviar vs mandar

Gebruik 'enviar' voor iets formeler of technischer verzenden. Gebruik 'mandar' voor dagelijks verzenden EN voor iemand een opdracht geven.

A2★★☆☆☆

época vs era

Época is een periode gedefinieerd door gebeurtenissen. Era is een zeer grote, belangrijke tijdseenheid.

B1★★★★☆

equipo vs grupo

Equipo = een team met een gedeeld doel. Grupo = een verzameling mensen of dingen.

A2★★★☆☆

equivocar vs equivocarse

Equivocar = om X te verwarren met Y. Equivocarse = om een fout te maken (je vergissen).

B1★★★☆☆

error vs falta

Error = onjuiste data. Falta = iets dat ontbreekt. Equivocación = een menselijke blunder.

B1★★★★☆

es decir vs o sea

Es decir = formele verduidelijking. O sea = informele uitleg.

B1★★★☆☆

escapar vs escaparse

Escapar = Iets lekt eruit of wordt gemist. Escaparse = Iemand (of iets dat zich als een persoon gedraagt) vlucht of ontsnapt.

B1★★★☆☆

ese vs aquel

Ese = dat (dichtbij). Aquel = dat (ver weg).

A1★★★☆☆

esforzarse vs intentar

Esforzarse = de *inspanning* die je levert. Intentar = de *poging* die je doet.

B1★★★☆☆

eso vs ese

Ese beschrijft een *ding* (`ese libro`). Eso *is* het ding (`¿Qué es eso?`).

A1★★★★☆

esperar vs aguardar

Gebruik 'esperar' voor alles. Gebruik 'aguardar' als je formeel of geduldig wilt klinken.

B1★★★☆☆

esperar vs desear

Esperar = wachten op of verwachten. Desear = wensen of willen.

A2★★★☆☆

esquina vs rincón

Esquina = buitenhoek (straat). Rincón = binnenhoek (kamer).

A2★★★☆☆

estar + gerund vs llevar + gerund

Estar + gerundium = wat er nu gebeurt. Llevar + gerundium = hoe lang het al aan de gang is.

B1★★★☆☆

esto vs este

Este heeft een zelfstandig naamwoord nodig, esto IS het zelfstandig naamwoord.

A1★★★★☆

estrecho vs apretado

Estrecho gaat over vorm (smal). Apretado gaat over druk (strak/krap).

A2★★★☆☆

estudiar vs aprender

Estudiar is de inspanning (het 'hoe'). Aprender is het resultaat (het 'wat').

A1★★★☆☆

evitar vs prevenir

Evitar = een probleem ontwijken. Prevenir = een probleem stoppen voordat het begint.

B1★★★★☆

exactamente vs precisamente

Gebruik `exactamente` voor feiten en getallen. Gebruik `precisamente` om nadruk te leggen of een specifiek punt te markeren.

B1★★★☆☆

excepto / salvo vs menos

Gebruik 'excepto' of 'salvo' voor 'behalve' in de meeste situaties. Gebruik 'menos' voor een meer informele 'behalve' of 'min'.

A2★★★☆☆

éxito vs logro

Éxito is het algemene gevoel van succes. Logro is een specifieke prestatie.

B1★★★☆☆

éxito vs suceso

'Éxito' betekent 'succes' (een grote prestatie). 'Suceso' betekent een 'gebeurtenis' of 'voorval'.

B1★★★☆☆

experiencia vs vivencia

Experiencia = wat je hebt gedaan. Vivencia = hoe het voelde.

B2★★★★☆

explicar vs aclarar

Explicar is iets onderwijzen of details geven. Aclarar is een verwarring ontwarren.

B1★★★☆☆

extrañar vs echar de menos

Dezelfde betekenis, verschillende regio. 'Extrañar' is de favoriet in Latijns-Amerika. 'Echar de menos' is de favoriet in Spanje.

A2★★☆☆☆

fácil vs simple

Fácil = niet moeilijk (gaat over inspanning). Simple = niet ingewikkeld (gaat over structuur).

A2★★★☆☆

faltar vs sobrar

Faltar = wat ontbreekt. Sobrar = wat overblijft.

B1★★★★☆

feliz vs contento

Feliz = diepe vreugde. Contento = tijdelijke voldoening. Alegre = opgewekt/vrolijk persoon of stemming.

A2★★★★☆

fijar vs fijarse

Fijar = iets bevestigen. Fijarse = iets opmerken.

B1★★★☆☆

final vs fin

Final = bijvoeglijk naamwoord (de laatste). Fin = zelfstandig naamwoord (het einde van iets). Término = zelfstandig naamwoord (een specifiek eindpunt of formele term).

B1★★★★☆

finalmente vs por fin

Finalmente = als laatste (volgorde). Por fin = eindelijk! (opluchting). Al final = uiteindelijk (resultaat).

B1★★★★☆

frase vs oración

Una oración tiene un verbo conjugado; una frase no.

B1★★★☆☆

frecuentemente vs a menudo

'Frecuentemente' is formeler (vergelijkbaar met het Nederlandse 'frequent'); 'a menudo' is gebruikelijker in dagelijkse conversatie (vergelijkbaar met 'vaak').

A2★★☆☆☆

frío vs fresco

Frío is koud (vaak onaangenaam). Fresco is koel of fris (meestal aangenaam).

A1★★★☆☆

fuerte vs duro

Fuerte = kracht (zoals bij een persoon of smaak). Duro = hardheid (zoals bij een steen of een moeilijke taak).

A2★★★★☆

funcionar vs trabajar

Funcionar is voor dingen (hoe ze werken). Trabajar is voor mensen (hun baan of inspanning).

A2★★★★☆

ganar vs ganarse

Ganar = iets externs winnen/verdienen. Ganarse = iets persoonlijks verdienen door inspanning.

A2★★★☆☆

ganar vs vencer

Ganar betekent WINNEN (een prijs of spel). Vencer betekent EEN TEGENSTANDER of obstakel VERSLAAN.

B1★★★☆☆

gastar vs pasar

Gebruik 'gastar' voor hulpbronnen die je 'opmaakt' (zoals geld of energie). Gebruik 'pasar' voor tijd die simpelweg 'voorbijgaat'.

A2★★★☆☆

imperative vs subjunctive

Gebruik de gebiedende wijs voor positieve 'tú'-bevelen. Gebruik de aanvoegende wijs (subjunctief) voor ALLE negatieve en ALLE formele bevelen.

A2★★★★☆

generalmente vs normalmente

Generalmente = wat GEWOONLIJK gebeurt. Normalmente = wat VERWACHT wordt dat er gebeurt.

B1★★★☆☆

gerund vs infinitive

Gebruik het gerundium (-ando/-iendo) voor een actie die bezig is. Gebruik de infinitief (-ar/-er/-ir) als het 'idee' van een actie, net als een zelfstandig naamwoord.

A2★★★★☆

gordo vs grueso

'Gordo' is voor levende wezens (dik/vet). 'Grueso' is voor objecten (dik).

A2★★★☆☆

gracias a vs por culpa de

Gracias a = positief resultaat. Por culpa de = negatief resultaat.

A2★★★☆☆

grande vs gran

Gebruik `gran` vóór het zelfstandig naamwoord voor 'geweldig'. Gebruik `grande` ná het zelfstandig naamwoord voor 'groot/flink'.

A2★★★☆☆

guapo vs bonito / hermoso

Guapo = knappe mannen. Bonito = mooie dingen/mensen. Hermoso = verbluffend alles.

A1★★★☆☆

guardar vs ahorrar

Guardar = bewaren/wegleggen. Ahorrar = sparen (geld, middelen).

A2★★★☆☆

guardar vs salvar

Guardar = bewaren of opbergen. Salvar = redden van gevaar.

A2★★★☆☆

gustar vs encantar

Gustar is voor 'leuk vinden', encantar is voor 'heel erg leuk vinden/houden van' (van dingen, niet van mensen).

A1★★★☆☆

ha vs a

Ha = heeft (werkwoord). A = naar/om (prepositie). Ah! = oh! (uitroep).

A1★★★★☆

haber (impersonal) vs existir

Gebruik 'haber' (hay) voor 'er is/zijn'. Gebruik 'existir' om over het bestaan zelf te praten, vaak op een meer filosofische of nadrukkelijke manier.

A2★★★☆☆

haber vs a ver

Haber = bestaan ('er is/zijn'). A ver = actie ('laten we eens kijken').

A2★★★★★

haber vs tener

Haber voor bestaan ('er is/zijn') of als hulpwerkwoord. Tener voor bezit.

A2★★★★☆

hablar vs decir

Hablar is de HANDELING van praten. Decir is de BOODSCHAP die je overbrengt.

A1★★★★☆

hace + time vs desde hace

Gebruik 'hace' voor 'geleden' (een afgeronde handeling). Gebruik 'desde hace' voor 'al' (een voortdurende handeling).

A2★★★★☆

hacer vs realizar

Hacer = doen/maken (algemeen, praktisch). Realizar = voltooien/verwezenlijken (formeel, abstract).

B1★★★★☆

hacer vs hacerse

Hacer = doen/maken. Hacerse = worden (door inspanning of verandering).

B1★★★★☆

hacia vs hasta

Hacia = richting/naar een bestemming. Hasta = tot/totdat een limiet bereikt is.

A2★★★☆☆

halla vs haya

Halla = vindt. Haya = aanvoegende wijs van 'hebben' of 'er is'. Allá = daar (locatie).

B1★★★★☆

hasta vs incluso

Gebruik 'hasta' voor een verrassende limiet of eindpunt. Gebruik 'incluso' om een verrassend item op te nemen.

B1★★★★☆

hay vs está/están

Hay = bestaan (Er is/zijn). Está/Están = locatie (Het is/Zij zijn op een plek).

A1★★★★☆

hay vs ahí

Hay = Er is/zijn. Ahí = Daar (locatie). Ay = Au! (emotie).

A1★★★★☆

hecho vs echo

Hecho heeft een 'H' omdat het van 'hacer' (doen/maken) komt. Echo heeft geen 'H' en betekent gooien, gieten of missen.

A2★★★★☆

historical present vs preterite

Gebruik de historische tegenwoordige tijd om een verhaal te laten voelen alsof het NU gebeurt. Gebruik de onvoltooid verleden tijd (preteritum) om een voltooide gebeurtenis uit het verleden te rapporteren.

B1★★★☆☆

huir vs escapar

Huir is vluchten *van* iets. Escapar is ontsnappen *uit* iets.

B1★★★★☆

húmedo vs mojado

'Húmedo' = vochtig of klam (een beetje nat). 'Mojado' = nat of doorweekt (veel water).

A2★★★☆☆

humor vs estado de ánimo

Humor is je algemene persoonlijkheid; estado de ánimo is je tijdelijke gevoel.

B1★★★☆☆

idea vs pensamiento

Idea = een nieuwe ingeving. Pensamiento = het denkproces. Opinión = je uiteindelijke oordeel.

B1★★★☆☆

imperative affirmative vs imperative negative

Positieve bevelen: Plak voornaamwoorden aan het einde. Negatieve bevelen: Plaats voornaamwoorden vóór het werkwoord.

A2★★★★☆

-ra form vs -se form

Ze zijn bijna altijd uitwisselbaar. Gebruik de '-ra'-vorm om natuurlijk te klinken.

B2★★★☆☆

se impersonal vs se reflexivo

Reflexief = onderwerp doet het bij zichzelf. Impersoonlijk = 'men', 'je' of 'mensen' doen het.

B1★★★★☆

importar vs interesar

Importar = het doet ertoe/het is belangrijk (belang/zorg). Interesar = het is interessant (nieuwsgierigheid/betrokkenheid).

A2★★★☆☆

incluso vs hasta

Incluso voegt een verrassend element toe. Hasta benadrukt een uiterste grens.

B1★★★★☆

indicative in si clauses vs subjunctive in si clauses

Indicatief voor ECHTE mogelijkheden. Subjunctief voor HYPOTHETISCHE dromen.

B1★★★★★

indicative after como vs subjunctive after como

Como + Indicatief = DE MANIER waarop dingen ZIJN. Como + Subjunctief = DE MANIER waarop je WILT dat dingen zijn.

B1★★★★☆

indicative after aunque vs subjunctive after aunque

Indicatief = Het is een feit. Subjunctief = Het is een 'wat als'.

B1★★★★☆

creer + indicative vs no creer + subjunctive

Positief 'creer' stelt een realiteit vast (Indicatief). Negatief 'no creer' drukt twijfel uit (Subjunctief).

B1★★★★☆

donde + indicative vs donde + subjunctive

Gebruik de indicatief voor plaatsen waarvan je weet dat ze bestaan. Gebruik de subjunctief voor plaatsen die je zoekt of die hypothetisch zijn.

B1★★★★☆

indicative vs subjunctive

Indicatief voor wat IS (verleden/gewoontes). Subjuntivo voor wat MOGELIJK IS (toekomst).

B1★★★★☆

infinitive vs que + subjunctive

Zelfde onderwerp? Gebruik de infinitief. Verschillende onderwerpen? Gebruik 'que' + subjuntivo.

B1★★★★☆

inmediatamente vs en seguida

Gebruik 'inmediatamente' voor nul uitstel en formele situaties. Gebruik 'en seguida' voor 'meteen' in alledaagse spraak.

A2★★☆☆☆

intentar vs tratar de

Gebruik 'intentar' voor de inspanning. Gebruik 'tratar de' voor het doel. In veel gevallen zijn ze uitwisselbaar.

B1★★★★☆

ir + gerund vs estar + gerund

Estar + gerund beschrijft een momentopname. Ir + gerund beschrijft een proces dat zich over tijd afspeelt.

B1★★★☆☆

ir vs irse

Ir = GA naar een bestemming. Irse = VERTREKKEN van een plek.

A2★★★★☆

ir vs venir

Ir is 'gaan' (weg van de spreker). Venir is 'komen' (naar de spreker toe).

A1★★★★☆

jefe vs líder

Jefe = heeft autoriteit. Líder = heeft invloed.

B1★★★☆☆

juego vs partido

Gebruik 'juego' voor elk spel in het algemeen. Gebruik 'partido' voor een specifieke sportwedstrijd.

A2★★★☆☆

jugar vs tocar

Jugar is voor spelletjes en sporten. Tocar is voor muziekinstrumenten en fysiek aanraken.

A1★★★☆☆

junto a vs al lado de

`Al lado de` = naast. `Junto a` = pal naast / samen met.

A2★★★☆☆

carácter vs personalidad

Carácter is je innerlijke morele vezel. Personalidad is je uiterlijke sociale stijl.

B1★★★☆☆

la vs le

Vraag 'aan wie?' of 'voor wie?'. Als het antwoord 'haar' is, gebruik dan 'le'. Als het antwoord op 'wie?' of 'wat?' 'haar' is, gebruik dan 'la'.

A2★★★★☆

lamentar vs arrepentirse

Lamentar = spijt hebben van een situatie (je slecht voelen VOOR iets). Arrepentirse = spijt hebben van een actie (je slecht voelen OVER wat JIJ deed).

B1★★★☆☆

largo vs grande

Largo = lang. Grande = groot / fors.

A1★★★☆☆

lavar vs lavarse

Lavar = iets anders wassen. Lavarse = jezelf wassen.

A2★★★☆☆

le vs les

Le = voor één persoon. Les = voor meer dan één persoon.

A2★★★★☆

lejano vs remoto

Lejano = ver weg. Remoto = moeilijk bereikbaar of zeer onwaarschijnlijk.

B1★★★☆☆

levantar vs levantarse

Levantar = iets anders optillen. Levantarse = jezelf optillen (opstaan).

A2★★★★☆

libre vs gratis

Libre = vrijheid van meningsuiting. Gratis = gratis (geen kosten).

A2★★★★☆

definite article vs indefinite article

Gebruik 'de/het' (el, la) voor specifieke dingen. Gebruik 'een' (un, una) voor niet-specifieke dingen.

A1★★★☆☆

listo vs inteligente

Inteligente is 'schoolslim' (boekenwijsheid). Listo is 'straatslim' of 'klaar zijn'.

A2★★★★☆

llamar vs llamarse

Llamar = iemand bellen. Llamarse = jezelf bellen (je naam zeggen).

A1★★★☆☆

llegar vs venir

Llegar is 'daar' aankomen. Venir is 'hier' komen.

A2★★★★☆

lleno vs completo

Lleno = fysiek vol (met iets). Completo = heel of afgerond (niets ontbreekt).

A2★★★☆☆

llevar vs llevarse

Llevar = dragen of meenemen. Llevarse = meenemen (wegnemen) of goed met iemand kunnen opschieten.

A2★★★★☆

lo + adjective vs el/la + adjective

Gebruik 'lo' voor het abstracte idee of 'het ... gedeelte'. Gebruik 'el/la' voor het specifieke exemplaar.

B1★★★★☆

lo + adjective vs lo que

Gebruik 'lo + adjectief' voor 'het ___ deel/ding'. Gebruik 'lo que' voor 'wat' of 'het ding dat...'.

B1★★★★☆

lo cual vs el cual

Gebruik 'lo cual' voor een heel idee. Gebruik 'el cual' voor een specifiek ding.

B1★★★★☆

lo que vs que

Gebruik 'lo que' voor 'wat' (hetgeen dat). Gebruik 'que' voor 'dat' of 'die/dat/welke' wanneer je verwijst naar een specifiek zelfstandig naamwoord.

A2★★★★☆

lo vs ello

Gebruik 'lo' voor specifieke dingen of feiten. Gebruik 'ello' voor abstracte ideeën, vooral na voorzetsels.

B1★★★★☆

lo vs le

Lo = het 'het' of 'hem' dat de actie ondergaat. Le = de persoon aan wie of voor wie je iets doet.

A2★★★★☆

lograr vs conseguir

Lograr = bereiken door inspanning. Conseguir = verkrijgen of krijgen.

B1★★★★☆

luego vs después

Gebruik 'después' voor 'na' iets specifieks. Gebruik 'luego' voor 'vervolgens' in een reeks. Gebruik 'entonces' voor 'dan' als een consequentie of 'toen' (in het verleden).

A2★★★★☆

lugar vs sitio

Lugar = algemene 'plaats'. Sitio = specifieke 'site' of locatie. Puesto = functionele 'post' of 'kraam'.

A2★★★★☆

mal vs malo

Gebruik 'mal' voor handelingen (werkwoorden). Gebruik 'malo' voor dingen (zelfstandige naamwoorden).

A1★★★☆☆

malo vs mal

Malo beschrijft een zelfstandig naamwoord (een ding of persoon). Mal beschrijft een werkwoord (een actie).

A1★★★☆☆

manejar vs conducir

Manejar = 'hanteren' of rijden (gebruikelijk in Latijns-Amerika). Conducir = 'leiden' of rijden (standaard in Spanje).

A2★★★☆☆

manera vs modo

Manera/Forma = HOE je iets doet (jouw persoonlijke stijl). Modo = DE manier waarop iets gedaan wordt (een methode of categorie).

B1★★★★☆

mantener vs mantenerse

Mantener = iets/iemand anders onderhouden/ondersteunen. Mantenerse = jezelf onderhouden/ondersteunen.

B1★★★☆☆

mañana (morning) vs mañana (tomorrow)

Ochtend = 'la mañana' of 'de/por la mañana'. Morgen = gewoon 'mañana'.

A1★★☆☆☆

mar vs océano

Océano verwijst naar een van de 5 gigantische oceanen. Mar is een kleinere zee, of wat je het water aan het strand noemt.

A2★★☆☆☆

marchar vs marcharse

Marchar = marcheren of functioneren. Marcharse = weggaan.

B1★★★☆☆

más que vs más de

Gebruik **más que** voor vergelijkingen. Gebruik **más de** vóór een getal.

A2★★★★☆

mas vs más

Más met een accent betekent 'meer'. Mas zonder accent betekent 'maar'.

A2★★★★☆

me vs

Gebruik 'me' bij een werkwoord. Gebruik 'mí' na een voorzetsel (zoals 'a', 'para', 'de').

A1★★★☆☆

mediante vs a través de

Mediante = Bij wijze van (het hulpmiddel/de methode). A través de = Door (de ruimte/de tijd).

B1★★★☆☆

médico vs doctor

Médico = medisch specialist (het beroep). Doctor = iemand met een PhD of de formele aanspreektitel voor een médico.

A2★★★☆☆

medio ambiente vs entorno

Medio ambiente = ecosysteem van de planeet. Entorno = persoonlijke omgeving. Naturaleza = wilde natuur.

B1★★★★☆

medio vs mitad

Gebruik 'medio' vóór een zelfstandig naamwoord (een half glas). Gebruik 'mitad' voor 'de helft van' iets (de helft van de pizza).

A2★★★★☆

mediodía vs medio día

Mediodía (één woord) is een specifiek tijdstip: 12 uur 's middags. Medio día (twee woorden) is een tijdsduur: een halve dag.

A2★★★☆☆

meta vs objetivo

Una meta es el destino final; un objetivo es un paso para llegar allí.

B1★★★☆☆

meter vs meterse

Meter = iets ERIN stoppen. Meterse = jezelf ERGENS IN krijgen.

A2★★★★☆

meter vs poner

Poner = neerzetten/plaatsen (op). Meter = ergens IN stoppen.

A2★★★★☆

mi vs

'Mi' geeft bezit aan (mijn). 'Mí' wordt gebruikt na voorzetsels zoals 'para', 'a', 'de' (mij).

A1★★★☆☆

mientras que vs en cambio

Gebruik 'mientras que' voor parallelle acties. Gebruik 'en cambio' voor tegenovergestelde ideeën.

B1★★★★☆

mientras vs durante

Mientras verbindt twee acties. Durante plaatst één actie binnen een tijdsbestek.

A2★★★☆☆

mirar vs ver

Mirar is kijken (de actie). Ver is zien (het resultaat).

A1★★★☆☆

mismo vs propio

Mismo = hetzelfde / -zelf. Propio = iemands eigen.

B1★★★★☆

mismo vs igual

Mismo = exact dezelfde (identiteit). Igual = gelijksoortig of vergelijkbaar (kenmerken).

A2★★★★☆

molestar vs fastidiar

Molestar = mollen/storen (licht). Fastidiar = echt irriteren of verpesten.

B1★★★★☆

momento vs instante

Instante = een oogwenk. Momento = een moment. Rato = een poosje.

A2★★★☆☆

morir vs morirse

Morir = sterven (de feitelijke gebeurtenis). Morirse = overlijden (het persoonlijke proces).

B1★★★★☆

mover vs moverse

Mover = een object verplaatsen. Moverse = je lichaam verplaatsen.

A2★★★★☆

mudarse vs moverse

Mudarse = van huis veranderen. Moverse = van positie veranderen.

A2★★★★☆

muy vs mucho

Muy betekent 'heel' en wordt gebruikt bij beschrijvingen. Mucho betekent 'veel' en wordt gebruikt bij zaken of handelingen.

A1★★★★☆

necesario vs obligatorio

Necesario is wat je nodig hebt. Obligatorio is wat vereist is door een regel.

A2★★★☆☆

negar vs negarse

Negar = Een feit ontkennen. Negarse = Weigeren een handeling te verrichten.

B1★★★★☆

ni ... ni vs o ... o

Gebruik 'ni...ni' om beide opties af te wijzen ('noch...noch'). Gebruik 'o...o' om te kiezen tussen opties ('of...of').

A2★★★☆☆

ni vs ni siquiera

Ni = 'noch' of verbindt negaties. Ni siquiera = 'niet EENS' voor nadruk en verrassing.

B1★★★☆☆

ningún vs ninguno

Gebruik `ningún` direct vóór een mannelijk zelfstandig naamwoord. Gebruik `ninguno` als het op zichzelf staat.

A2★★★☆☆

no solo... sino... vs no solo... sino también...

Gebruik deze structuur om een tweede, vaak verrassendere of belangrijkere, informatie toe te voegen.

B1★★★☆☆

noche vs tarde

Tarde = namiddag tot het donker wordt. Noche = nacht, nadat het donker is. Anochecer is het *proces* van donker worden.

A1★★☆☆☆

notar vs darse cuenta

Notar = opmerken met je zintuigen. Darse cuenta = beseffen in je hoofd.

A2★★★★☆

noticia vs información

Een 'noticia' is een telbaar nieuwsfeit. 'Información' is ontelbare algemene informatie.

A2★★★☆☆

nuevo (before noun) vs nuevo (after noun)

Voor het zelfstandig naamwoord = 'nieuw' VOOR JOU. Na het zelfstandig naamwoord = GLOEDNIEUW.

B1★★★★☆

nunca vs jamás

Nunca = nooit (de standaard). Jamás = NOOIT (voor nadruk).

A2★★★☆☆

o vs u

Gebruik 'u' in plaats van 'o' wanneer het volgende woord begint met een 'o'- of 'ho'-klank.

A1★★☆☆☆

obligar vs forzar

Obligar = iemand dwingen zijn plicht te doen. Forzar = fysieke kracht of druk gebruiken.

B1★★★★☆

ocupar vs ocuparse

Ocupar = ruimte innemen. Ocuparse = ergens voor zorgen.

B1★★★★☆

oír vs escuchar

Oír is horen (passief). Escuchar is luisteren (actief).

A1★★★☆☆

ojalá + present subjunctive vs ojalá + past subjunctive

Presens Subjunctief voor reële hoop ('Ik hoop dat...'). Verleden Subjunctief voor onreële wensen ('Als ik maar...').

B1★★★★☆

olvidar vs olvidarse de

Olvidar = vergeten (jij neemt de schuld op je). Olvidarse de = het is vergeten (het was per ongeluk).

B1★★★★☆

preterite vs present perfect

Spanje: Gebruik de Voltooid Tegenwoordige Tijd voor voltooide handelingen van 'vandaag'. Latijns-Amerika: Gebruik de Onvoltooid Verleden Tijd voor ALLE voltooide handelingen.

B1★★★★☆

pluperfect subjunctive vs conditional perfect

Gebruik 'hubiera' voor de onmogelijke 'als' in het verleden. Gebruik 'habría' voor het onmogelijke 'dan' dat het gevolg is.

B2★★★★★

oportunidad vs ocasión

Oportunidad = een kans die JIJ grijpt. Ocasión = een situatie die ZICH VOORDOET.

B1★★★☆☆

otro vs demás

Otro = 'nog een'. Demás = 'de rest' van de groep.

A2★★★☆☆

papel vs rol

Papel = fysiek papier of een rol in een toneelstuk. Rol = een functie of sociale positie.

B1★★★☆☆

para vs hacia

Para = eindbestemming. Hacia = in de richting van.

A2★★★☆☆

parar vs detenerse

Parar = een activiteit stoppen. Detenerse = stoppen met bewegen.

A2★★★☆☆

parar vs pararse

Parar = stop iets/iemand. Pararse = stop jezelf (of ga staan).

A2★★★★☆

parecer vs aparecer

Parecer = lijken/eruitzien. Aparecer = verschijnen/opdagen.

B1★★★☆☆

parecer vs parecerse

Parecer = lijken/schijnen (een mening). Parecerse = lijken op (een vergelijking).

B1★★★★☆

parecido vs similar

Gebruik `parecido` voor alledaagse uiterlijke gelijkenissen. Gebruik `similar` voor formelere of abstractere vergelijkingen.

A2★★★☆☆

pareja vs novio

Pareja = Partner (neutraal, elk geslacht, elke fase). Novio/a = Vriend/Vriendin (specifiek).

A2★★★★☆

pasar vs pasarse

Pasar = passeren of gebeuren. Pasarse = te ver gaan of een limiet overschrijden.

B1★★★★☆

pasar vs suceder

Pasar is voor informeel 'wat is er aan de hand?'. Suceder is voor specifieke, vaak formele, 'wat is er gebeurd?'.

B1★★★☆☆

paso vs etapa

Paso = één kleine handeling. Etapa = een hele fase of periode.

B1★★★☆☆

passive with ser vs passive with se

Gebruik 'ser' wanneer de dader belangrijk is. Gebruik 'se' wanneer de dader irrelevant of onbekend is.

B1★★★★☆

pedir vs preguntar

Pedir = iets VRAAG/VERZOEK om. Preguntar = een VRAAG stellen.

A2★★★★☆

pegar vs golpear

Gebruik `golpear` voor een krachtige slag (een stoot, een botsing). Gebruik `pegar` voor een algemene tik, een klap, of om iets vast te plakken.

A2★★★★☆

pelear vs luchar

Pelear = een directe ruzie of gevecht (fysiek of verbaal). Luchar = een strijd voor een doel of zaak.

B1★★★☆☆

pelo vs cabello

Cabello = elegant hoofdhaar. Pelo = algemeen haar (hoofd, lichaam, dier). Vello = fijn lichaamshaar ('perzikdons').

A2★★★☆☆

pensar en vs pensar de

Pensar EN = DENKEN AAN (in je hoofd). Pensar DE = DENKEN OVER (je mening).

B1★★★★☆

pensar vs creer

Pensar = denken (een mentaal proces). Creer = geloven (een overtuiging).

A2★★★☆☆

pequeño vs bajo

Pequeño/Chico = klein (in afmeting). Bajo = klein/kort (in lengte) of laag.

A1★★★☆☆

perder vs perderse

Perder betekent een object verliezen. Perderse betekent de weg kwijtraken of een ervaring missen.

A2★★★★☆

perfect subjunctive vs imperfect subjunctive

Perfect Subjunctief is voor 'Ik betwijfel dat het *is gebeurd*'. Imperfect Subjunctief is voor 'Ik betwijfelde dat het *zou gebeuren*' of 'Als ik *was*...'

B2★★★★★

permitir vs dejar

Permitir = officiële toestemming. Dejar = informeel toestaan of iets achterlaten.

B1★★★☆☆

personal a vs no personal a

Gebruik de persoonlijke 'a' vóór een specifiek persoon (of huisdier) die het lijdend voorwerp van een werkwoord is.

A2★★★★☆

pertenecer vs corresponder

Pertenecer = eigendom (toebehoren AAN). Corresponder = wat passend is of iemands beurt is (het komt neer OP).

B1★★★★☆

piel vs cuero

Piel is de huid van een levend wezen (of fruit). Cuero is leer, het bewerkte materiaal.

A2★★★☆☆

piso vs suelo

Suelo is de grond buiten. Piso is de vloer binnen. Planta is de verdieping van een gebouw.

A2★★★★☆

plan vs proyecto

Een 'plan' is een lijst met stappen. Een 'proyecto' is een grote, complexe onderneming.

B1★★★☆☆

pluperfect vs preterite

Het Plusquamperfectum is het 'verleden van het verleden'. Gebruik het voor een handeling die plaatsvond *vóór* een andere gebeurtenis in het verleden.

B1★★★★☆

pobre (before noun) vs pobre (after noun)

Voor het zelfstandig naamwoord = jammerlijk/zielig. Na het zelfstandig naamwoord = arm (geen geld).

B1★★★☆☆

poco vs un poco

Poco = 'niet veel' (negatief gevoel). Un poco = 'een beetje' (neutraal/positief gevoel).

A2★★★★☆

poco vs un poco de

'Poco' = 'weinig' of 'minder' (een negatief gevoel, niet genoeg). 'Un poco de' = 'een beetje' (een positief gevoel, wat).

A2★★★★☆

poder vs autoridad

Poder is het vermogen om iets te doen. Autoridad is het recht om te bevelen.

B1★★★☆☆

poder vs saber

Poder = kunnen (vermogen/toestemming). Saber = weten (informatie/vaardigheid).

A2★★★★☆

poner vs ponerse

Poner = iets ergens neerzetten. Ponerse = iets op jezelf aantrekken (of een emotie worden).

A2★★★★☆

ponerse a vs empezar a

Ponerse a = een plotselinge start. Empezar a = een algemene start.

A2★★★☆☆

por + infinitive vs para + infinitive

Por = de oorzaak/reden (waarom?). Para = het doel/streven (waarvoor?).

B1★★★★☆

por lo tanto / por consiguiente vs así que

Gebruik 'por lo tanto' voor een formeel 'therefore' (daarom/dus). Gebruik 'así que' voor een informeel 'so' (dus/daarom).

B1★★★☆☆

por qué vs porque

Gebruik 'por qué' (twee woorden, met accent) voor vragen. Gebruik 'porque' (één woord) voor antwoorden.

A1★★★★☆

por vs para

Por = reden/oorzaak. Para = doel/streven.

A2★★★★★

por vs a través de

Por = bewegen BINNEN een ruimte. A través de = van de ene kant naar de andere DOOR iets heen gaan.

A2★★★☆☆

porque vs ya que

Porque beantwoordt 'waarom?'. Ya que en Como introduceren een bekende reden, meestal aan het begin van een zin.

A2★★★☆☆

posible vs probable

Posible = Het *kan* gebeuren. Probable = Het is *waarschijnlijk* dat het gebeurt.

B1★★★☆☆

precio vs valor

Precio is de prijskaartje. Costo is de productiekosten. Valor is de persoonlijke of marktwaarde.

B1★★★★☆

preferir vs elegir

Preferir = meer leuk vinden. Elegir = er één uitkiezen.

A2★★★☆☆

pregunta vs cuestión

Een 'pregunta' vereist een antwoord. Een 'cuestión' vereist een discussie.

B1★★★☆☆

preguntar vs preguntarse

Preguntar = iemand vragen. Preguntarse = jezelf afvragen (je afvragen).

A2★★★☆☆

preocupar vs preocuparse

Preocupar = Iets maakt iemand zich zorgen. Preocuparse = Iemand maakt zich zorgen over iets.

A2★★★★☆

preterite vs imperfect

Preteritum = een voltooide actie (een 'punt' in de tijd). Imperfectum = een achtergrondscène of gewoonte (een 'lijn' in de tijd).

A2★★★★★

primero vs primer

Gebruik 'primer' direct vóór een mannelijk zelfstandig naamwoord. Gebruik 'primero' voor al het andere.

A1★★★☆☆

principio vs comienzo / inicio

`Principio` = een kernregel OF het begin. `Comienzo`/`Inicio` = de handeling van het starten.

B1★★★☆☆

probar vs tratar

Probar = proeven of testen. Tratar = proberen (een poging wagen) of behandelen.

A2★★★★☆

problema vs asunto

Problema = negatieve hindernis. Asunto = neutraal onderwerp. Cuestión = bediscussieerbare vraag.

B1★★★★☆

proceso vs procedimiento

Un 'proceso' is het 'wat' (de algehele reis). Un 'procedimiento' is het 'hoe' (de specifieke stappen).

B1★★★☆☆

profundo vs hondo

Profundo is voor diepte van gevoel of kennis. Hondo is voor fysieke diepte.

B1★★★☆☆

present progressive vs imperfect

Progressief = een specifieke actie IN BEZIGHEID. Imperfectum = de achtergrondscène of een gewoonte.

A2★★★★☆

progressive vs simple present

Progressief voor acties 'op dit moment'. Onvoltooid Tegenwoordige Tijd voor routines en algemene waarheden.

A2★★★★☆

prohibir vs impedir

Prohibir gaat over REGELS. Impedir gaat over de REALITEIT.

B1★★★☆☆

prometer vs comprometerse

Prometer = een actie beloven. Comprometerse = je aan een verantwoordelijkheid binden.

B1★★★☆☆

pronto vs temprano

Pronto = binnenkort (in de toekomst). Temprano = vroeg (op de klok).

A2★★★☆☆

propio vs adecuado

Propio = 'eigen' of 'typisch voor'. Adecuado = 'juist voor de taak' of 'geschikt'.

B1★★★☆☆

proponer vs sugerir

Proponer is voor een formeel plan. Sugerir is voor een informeel idee.

B1★★★☆☆

próximo vs siguiente

Próximo = aankomend in tijd of nabij in ruimte. Siguiente = volgend in een reeks.

A2★★★☆☆

prueba vs examen

Een 'prueba' is een toets of een proef; een 'examen' is een belangrijk tentamen of examen.

A2★★★☆☆

pueblo vs ciudad

Pueblo = klein dorp/stadje. Ciudad = grote stad.

A1★★☆☆☆

puesto que vs dado que

Beide betekenen 'aangezien' of 'gezien dat'. Gebruik 'dado que' als je formeler of academischer wilt klinken.

B2★★☆☆☆

que vs de que

Stel de vraag aan het werkwoord. Als het antwoord 'WAT?' is, gebruik 'que'. Als het 'WAARVAN?' is, gebruik 'de que'.

B1★★★★☆

que vs qué

Als het een vraagwoord is ('wat?' of 'hoeveel!'), heeft het een accent nodig: 'qué'. Als het een verbindingswoord is ('dat' of 'dan'), is er geen accent nodig: 'que'.

A1★★★★☆

qué vs cuál

Vóór een zelfstandig naamwoord gebruik je bijna altijd 'qué'. Gebruik 'cuál' om te kiezen wanneer het zelfstandig naamwoord er niet direct achter staat.

A2★★★★★

que vs quien

Gebruik 'que' voor zaken of personen. Gebruik 'quien' ALLEEN voor personen, meestal na een voorzetsel zoals 'con', 'a', of 'de'.

A2★★★★☆

quedar en vs quedarse en

Quedar en = afspreken/overeenkomen om af te spreken. Quedarse en = blijven/verblijven op een plaats.

A2★★★★☆

quedar vs quedarse

Quedar = overblijven/resteren. Quedarse = blijven/behouden.

A2★★★★☆

quejar vs quejarse

Gebruik altijd `quejarse` voor 'klagen'. `Quejar` is een zeldzaam, literair werkwoord dat 'leed veroorzaken' of 'bedroeven' betekent.

B1★★★★☆

quejarse vs reclamar

Quejarse = je frustraties uiten. Reclamar = een oplossing eisen.

B1★★★★☆

quemar vs arder

Quemar = *iets* verbranden (een actie). Arder = in brand *staan* (een toestand).

B1★★★★☆

querer vs amar

Querer is voor vrienden, familie en dingen die je 'wilt'. Amar is voor diepe, romantische liefde.

A2★★★★☆

quién vs que

Gebruik 'quién' voor personen na een voorzetsel. Gebruik 'que' voor bijna al het andere.

A2★★★★☆

quien vs quién

Gebruik de klemtoonaccent (`quién`) voor vragen. Geen accent (`quien`) voor mededelingen.

A1★★☆☆☆

quieto vs tranquilo

Quieto heeft betrekking op fysieke stilte (niet bewegen). Tranquilo heeft betrekking op innerlijke rust (niet bezorgd zijn).

A2★★★☆☆

quitar vs eliminar

Quitar = verplaatsen of uittrekken/afdoen. Eliminar = volledig wegdoen/schrappen.

B1★★★☆☆

quizás vs tal vez

Quizás en Tal Vez zijn uitwisselbare 'misschien'-woorden. Acaso is een formeler of retorisch 'misschien'.

A2★★★☆☆

rápido vs rápidamente

'Rápido' beschrijft zelfstandige naamwoorden (dingen). 'Rápidamente' beschrijft werkwoorden (acties).

A2★★★☆☆

rápido vs veloz

'Rápido' gaat over 'snelheid' (hoe kort de tijd duurt). 'Veloz' gaat over 'voortbeweging' (hoe snel iets beweegt).

B1★★★☆☆

raro vs extraño

Raro = raar of ongebruikelijk. Extraño = vreemd of onbekend.

B1★★★☆☆

razón vs motivo

Razón = De logica (in je hoofd). Motivo = De motivatie (in je hart). Causa = De trigger (in de wereld).

B1★★★★☆

real vs verdadero

Real = koninklijk of niet nep. Verdadero = niet onwaar.

B1★★★☆☆

realizar vs darse cuenta

Realizar = iets REËEL maken (bereiken, uitvoeren). Darse cuenta = iets beseffen in je hoofd.

B1★★★★☆

realmente vs de verdad

Realmente = 'eigenlijk' (om opheldering of contrast te geven). De verdad = 'echt' of 'werkelijk' (om nadruk te leggen).

A2★★★☆☆

recibir vs aceptar

Recibir betekent simpelweg iets krijgen. Aceptar betekent 'ja' zeggen tegen iets.

A2★★★☆☆

recién vs recientemente

Gebruik `recién` voor 'net' of 'zojuist' gedaan (meestal vóór een voltooid deelwoord). Gebruik `recientemente` voor het algemene idee van 'recentelijk' of 'de laatste tijd'.

B1★★★☆☆

recoger vs recolectar

Recoger = oppakken (alledaags). Recolectar = verzamelen (systematisch).

A2★★★☆☆

recordar vs acordarse

Recordar is direct: 'Ik herinner me het ding'. Acordarse heeft een partner nodig: 'Ik herinner me *de* het ding'.

A2★★★★☆

referir vs referirse

Referir = een verhaal vertellen. Referirse = verwijzen naar een onderwerp.

B1★★★☆☆

regla vs ley

Regla = voor een specifiek spel, groep of plaats. Ley = voor een hele stad of land.

B1★★★☆☆

reír vs reírse

Gebruik `reírse` voor hardop lachen. Gebruik `reír` voor het abstracte concept van lachen.

A2★★★☆☆

relación vs conexión

Relación = het type band. Conexión = de 'klik' of fysieke koppeling.

B1★★★☆☆

renunciar vs dimitir

Renunciar = iets opgeven. Dimitir = ontslag nemen uit een hoge functie.

B1★★★☆☆

respuesta vs contestación

'Respuesta' is elk 'antwoord'. 'Contestación' is een formeel of direct 'antwoord/reactie'.

B1★★★☆☆

resultado vs consecuencia

Resultado is neutraal (de uiteindelijke uitkomst). Consecuencia is negatief (de nasleep).

B1★★★☆☆

revelar vs rebelar

Revelar (met een V) is om een visioen te onthullen. Rebelar (met een B) is om in opstand te komen tegen gezag.

B1★★★★☆

rico vs adinerado

Rico is rijk aan smaak, ervaring of geld. Adinerado heeft ALLEEN betrekking op geld.

B1★★★☆☆

riesgo vs peligro

Peligro = het GEVAAR zelf. Riesgo = het RISICO dat het gebeurt.

B1★★★★☆

robar vs hurtar

Robar = met geweld of dreiging. Hurtar = in het geheim/stiekem.

B1★★★☆☆

romper vs quebrar

Romper = algemeen 'breken'. Quebrar = knappen, verbrijzelen, of 'failliet gaan'.

B1★★★☆☆

ropa vs prenda

Ropa is een onbepaalbaar zelfstandig naamwoord voor 'kleding'. Prenda is een telbaar zelfstandig naamwoord voor 'kledingstuk'.

A2★★★☆☆

saber + infinitive vs poder + infinitive

Saber = weten hoe. Poder = kunnen doen.

A2★★★★☆

saber vs conocer

Saber = feiten & vaardigheden. Conocer = mensen & plaatsen.

A2★★★★☆

sacar vs quitar

Sacar = er UIT halen. Quitar = eraf halen of wegnemen.

A2★★★★☆

saltar vs saltarse

Saltar = springen. Saltarse = overslaan.

A2★★★☆☆

se vs

Sé heeft een accent als het 'ik weet' betekent of als het een bevel is om 'te zijn'. 'Se' is voor al het andere.

A1★★★★☆

seguir + gerund vs continuar + gerund

Gebruik 'seguir' voor 'nog steeds bezig zijn' (natuurlijk, gebruikelijk). Gebruik 'continuar' voor 'doorgaan' (vaak na een pauze, formeler).

B1★★★☆☆

seguir vs continuar

Seguir = doorgaan met iets of een pad volgen. Continuar = hervatten na een pauze.

B1★★★☆☆

seguir vs perseguir

Seguir = een pad volgen. Perseguir = een doel najagen/achtervolgen.

A2★★★★☆

según vs de acuerdo con

Según = 'volgens' iedereen. De acuerdo con = 'in overeenstemming met' een formele bron.

B1★★★☆☆

seguro vs cierto

Seguro = veiligheid of iemands vertrouwen. Cierto = de waarheid van een feit.

B1★★★☆☆

sencillo vs simple

Sencillo = gemakkelijk, onopgesmukt of bescheiden. Simple = niet complex, of slechts een louter ding.

B1★★★☆☆

sentar vs sentarse

Sentar = iemand/iets laten zitten. Sentarse = zelf gaan zitten.

A2★★★★☆

sentimiento vs emoción

Emoción is de korte, intense reactie. Sentimiento is het langdurige gevoel dat volgt.

B1★★★★☆

sentir vs sentirse

Sentir + zelfstandig naamwoord (wat je voelt). Sentirse + bijvoeglijk naamwoord/bijwoord (hoe je je voelt).

A2★★★★☆

señor vs don

Señor = Achternaam (formeel). Don = Voornaam (respectvol).

A2★★★☆☆

ser + past participle vs estar + past participle

Ser beschrijft de HANDELING. Estar beschrijft het RESULTAAT.

B1★★★★★

ser + adjective vs estar + adjective

Ser beschrijft WAT iets is (de essentie). Estar beschrijft HOE iets is (de toestand).

A2★★★★★

ser aburrido vs estar aburrido

Ser aburrido = je BENT saai. Estar aburrido = je VERVEELT je.

A2★★★★☆

ser cansado vs estar cansado

Ser cansado = een vermoeiend persoon/ding ZIJN. Estar cansado = zich moe VOELEN.

A2★★★★☆

ser vs estar

Gebruik 'ser' voor WAT iets is (de identiteit). Gebruik 'estar' voor HOE iets is (de toestand).

A1★★★★★

servir vs atender

Servir = een functie of ding aanbieden. Atender = aandacht geven aan een persoon.

A2★★★★☆

si bien vs aunque

Gebruik **aunque** voor een direct 'hoewel'. Gebruik **si bien** om 'hoewel het waar is dat...' te betekenen.

B1★★★☆☆

si vs

Geen accent voor 'if' (als), accent voor 'yes' (ja).

A1★★★★☆

significar vs querer decir

Significar = definitie. Querer decir = intentie.

A2★★★☆☆

simpático vs amable

Simpático gaat over persoonlijkheid (aardig/sympathiek). Amable gaat over daden (vriendelijk/behulpzaam).

A2★★★☆☆

sin embargo vs pero

Gebruik 'pero' voor een simpel 'maar'. Gebruik 'sin embargo' voor een formeler of verrassender 'echter'/'desondanks'.

A2★★★☆☆

sin embargo vs no obstante

Beide betekenen 'echter' of 'desondanks'. Gebruik 'sin embargo' in elke situatie. Gebruik 'no obstante' om formeler of literairder te klinken.

B1★★☆☆☆

sino vs pero

Sino = 'maar eerder' (het corrigeert). Pero = 'maar' (het contrasteert).

A2★★★★☆

sino vs si no

Sino = 'maar eerder' (corrigeert een ontkenning). Si no = 'als niet' (stelt een voorwaarde).

B1★★★★☆

sobre vs encima de

Gebruik `encima de` voor 'bovenop'. Gebruik `sobre` voor 'bovenop' OF 'over'.

A2★★★☆☆

sobretodo vs sobre todo

Sobretodo (één woord) is een ding (een overjas). Sobre todo (twee woorden) is een idee (vooral/bovenal).

A2★★★★☆

solamente / únicamente vs solo

Gebruik `solo` voor 'alleen' (bijvoeglijk naamwoord) of 'slechts/enkel' (bijwoord). Gebruik `solamente` en `únicamente` *alleen* voor 'slechts/enkel'.

A2★★★☆☆

soler vs acostumbrar

Soler = wat je gewoonlijk DOET. Acostumbrar = wat je GEWEND BENT.

B1★★★☆☆

solicitar vs pedir

Solicitar is voor formele verzoeken. Pedir is voor alledaagse verzoeken.

B1★★★☆☆

soñar con vs soñar en

Gebruik 'soñar con' voor waar je VAN droomt. Gebruik 'soñar en' voor de taal WAARIN je droomt.

B1★★★☆☆

soportar vs aguantar

Soportar = een gewicht fysiek ondersteunen. Aguantar = een situatie mentaal/fysiek verdragen.

B1★★★★☆

sorprender vs sorprenderse

Sorprender = JIJ verrast iemand. Sorprenderse = JIJ wordt verrast.

A2★★★☆☆

su vs de él/de ella

Gebruik 'su' als het duidelijk is wie je bedoelt. Gebruik 'de él/ella' om alle twijfel weg te nemen.

A2★★★★☆

suave vs blando

Suave gaat over textuur (gladheid). Blando gaat over meegeven (indrukbaarheid/zachtheid bij druk).

A2★★★☆☆

subir vs subirse

Subir = omhoog gaan of iets optillen. Subirse = instappen of ergens op klimmen.

A2★★★☆☆

subjunctive vs indicative

Indicatief = Feiten & Realiteit. Subjunctief = Gevoelens & Fictie.

B1★★★★★

suceder vs ocurrir

Ocurrir = alledaags 'gebeuren'. Suceder = 'gebeuren' in een opeenvolging. Acontecer = formeel/historisch 'gebeuren'.

B1★★★☆☆

suerte vs fortuna

Suerte = alledaags geluk (goed of slecht). Fortuna = groot, levensveranderend fortuin of rijkdom.

B1★★★☆☆

suponer vs asumir

Suponer = veronderstellen/gokken (denk aan 'wat als?'). Asumir = aannemen/op zich nemen (denk aan 'de leiding nemen').

B1★★★★☆

también vs tampoco

Gebruik 'también' voor 'ik ook' (positief). Gebruik 'tampoco' voor 'ik ook niet' (negatief).

A1★★☆☆☆

también vs tan bien

También = ook/eveneens. Tan bien = zo goed.

A1★★★☆☆

tampoco vs ni siquiera

Tampoco = ik ook niet (bij een ontkenning). Ni siquiera = zelfs niet.

A2★★★☆☆

tampoco vs tan poco

Tampoco = ik ook niet. Tan poco = zo weinig.

A2★★★★☆

tanto ... como vs tan ... como

Gebruik 'tanto' voor kwantiteit (bij zelfstandige naamwoorden). Gebruik 'tan' voor kwaliteit (bij bijvoeglijke naamwoorden/bijwoorden).

A2★★★★☆

tanto vs tan

Gebruik 'tan' vóór een kwaliteit (bijvoeglijk naamwoord/bijwoord). Gebruik 'tanto' vóór een ding (zelfstandig naamwoord) of na een actie (werkwoord).

A2★★★★☆

tardar vs demorar

Gebruik 'tardar' voor alledaags 'tijd kosten'. Gebruik 'demorar' voor formele 'vertragingen', zoals bij vluchten of officiële zaken.

B1★★★☆☆

tarde vs despacio

Tarde heeft te maken met de klok (te laat). Despacio heeft te maken met je snelheid (langzaam).

A1★★★☆☆

te vs

Té met een accent is de drank. Te zonder accent is het voornaamwoord 'jij'.

A1★★☆☆☆

future tense vs ir a + infinitive

Gebruik 'ir a' voor plannen in de nabije toekomst. Gebruik de toekomende tijd voor voorspellingen of meer verre/formele beloften.

A2★★★☆☆

present subjunctive vs past subjunctive

De tijd van de hoofdzin is de baas. Als deze in de tegenwoordige tijd/toekomende tijd staat, gebruik je de Tegenwoordige tijd (Subjunctief). Als deze in de verleden tijd/conditioneel staat, gebruik je de Verleden tijd (Subjunctief).

B2★★★★★

present perfect vs preterite

De Tegenwoordige Voltooid Tijd (Perfecto) verbindt met NU (onvoltooide tijd). De Onvoltooid Verleden Tijd (Pretérito) is AFGEROND (voltooide tijd).

B1★★★★☆

tener + noun vs ser + adjective

Gebruik 'tener' voor fysieke gevoelens die je 'hebt'. Gebruik 'ser' voor persoonlijkheidstrekken die je 'bent'.

A1★★★☆☆

tierra vs suelo

Tierra = Planeet/Aarde. Suelo = Vloer/Oppervlak. Terreno = Grondstuk.

B1★★★☆☆

tirar vs tirarse

Tirar betekent iets gooien. Tirarse betekent jezelf gooien.

A2★★★☆☆

tirar vs botar

Gebruik `tirar` voor 'gooien' in het algemeen. Gebruik `botar` voor 'weggooien' (vooral in Latijns-Amerika) of 'stuiteren'.

A2★★★☆☆

título vs grado

Título is de *naam* van je kwalificatie. Grado is het *niveau* van je studie.

B1★★★☆☆

todavía vs ya

Todavía = nog steeds aan de gang (voortzetting). Ya = het is veranderd (het is gebeurd of gestopt).

A2★★★★☆

todavía vs aún

Ze zijn bijna altijd uitwisselbaar voor 'nog' of 'reeds'. Alleen 'aún' kan ook 'zelfs' betekenen.

A2★★★☆☆

future subjunctive vs present subjunctive

Gebruik de Aanwezig Aanspreekvorm (Presente de Subjuntivo) voor ALLE toekomstige hypothetische situaties. De Toekomstige Aanspreekvorm (Futuro de Subjuntivo) is voor oude teksten en juridische contracten.

C1★★★★☆

future perfect vs conditional perfect

Future Perfect = 'zal gebeurd zijn'. Conditional Perfect = 'zou gebeurd zijn'.

B2★★★★☆

tomar vs tomarse

Tomar = de actie. Tomarse = de persoonlijke ervaring of voltooiing.

A2★★★★☆

trabajo vs empleo

Trabajo = werk/taak. Empleo = formele baan/functie. Oficio = geschoolde ambacht/vak.

A2★★★☆☆

trabajo vs obra

Trabajo is het proces van werken; obra is het voltooide product.

A2★★★☆☆

traer vs llevar

Traer is om HIERheen te brengen. Llevar is om DAARheen te nemen.

A2★★★★☆

tras vs detrás de

Detrás de = fysiek 'achter'. Tras = 'na' of 'volgend'.

B1★★★☆☆

tratar de vs tratarse de

Tratar de = iemand probeert iets te doen. Tratarse de = iets gaat over iets.

B1★★★★☆

tratar vs tratar de

Tratar = behandelen/aanpakken. Tratar de = proberen/gaan over.

B1★★★☆☆

triste vs melancólico

Triste is alledaagse droefheid. Melancólico is een diepe, bedachtzame, langdurige droefheid.

B1★★★☆☆

trozo vs pedazo

Trozo = een afgesneden stuk. Pedazo = een gebroken stuk. Porción = een afgemeten portie.

A2★★★☆☆

vs usted

Tú is voor vrienden. Usted is voor respect.

A1★★★☆☆

vs tu

Tú met een accent gaat over JOU. Tu zonder accent gaat over JOUW spullen.

A1★★★☆☆

tuvo vs tubo

Tuvo met een 'v' is een Werkwoord dat 'had' betekent. Tubo met een 'b' is een Zelfstandig Naamwoord voor een 'buis' of 'pijp'.

A2★★★☆☆

último vs pasado

Último = het laatste in een reeks. Pasado = de voorgaande periode in de tijd.

A2★★★★☆

único vs solo

Único = uniek/enige (bijvoeglijk naamwoord). Solo = alleen OF slechts (bijvoeglijk naamwoord of bijwoord).

A2★★★★☆

uno vs se (impersonal)

Gebruik 'se' voor algemene regels of observaties. Gebruik 'uno' voor persoonlijke ervaringen die op iedereen van toepassing zouden kunnen zijn.

B1★★★★☆

valer vs costar

Costar = prijskaartje (geld of moeite). Valer = inherente waarde of verdienste.

A2★★★☆☆

varios vs algunos

Varios = verschillende / een verscheidenheid aan dingen. Algunos = sommige / een onbepaald aantal uit een groep.

A2★★★☆☆

vaya vs valla

Vaya = Ga! Valla = Hek. Baya = Bes.

A2★★★★☆

vecino vs prójimo

Vecino = woont naast de deur. Prójimo = medemens.

B1★★★★☆

ventaja vs beneficio

Ventaja = een voorsprong op anderen. Beneficio = een positieve winst voor jou.

B1★★★☆☆

verdad vs realidad

Verdad is een bewering die waar is. Realidad is de wereld zoals deze daadwerkelijk bestaat.

B1★★★☆☆

-ón / -ona vs -azo / -ote

-ón = groot & onhandig. -azo = groot & indrukwekkend (of een klap/stoot). -ote = groot & lelijk/belachelijk.

B1★★★★☆

-ito vs -illo

'-ito' is voor affectie ('klein en schattig'). '-illo' is voor 'maar een klein beetje' (soms grappig of licht denigrerend).

A2★★★☆☆

past participle as adjective vs past participle as verb

Adjectief: een voltooide *toestand* (gebruikt met 'estar'). Werkwoord: een voltooide *actie* (gebruikt met 'haber').

A2★★★★☆

vestir vs vestirse

Vestir = iemand/iets anders aankleden. Vestirse = jezelf aankleden.

A2★★★☆☆

viaje vs paseo

Viaje = een reis. Paseo = een wandeling. Excursión = een uitstapje.

A2★★★☆☆

viejo vs antiguo

Viejo is voor levende wezens of versleten objecten. Antiguo is voor historische zaken.

A2★★★☆☆

volver a + infinitive vs otra vez

Gebruik 'volver a' net als het voorvoegsel 'her-' (iets opnieuw doen). Gebruik 'otra vez' om 'nog een keer' te zeggen.

A2★★★☆☆

volver vs volverse

Volver = terugkeren naar een plaats. Volverse = iets anders worden.

B1★★★★☆

volver vs regresar

Je kunt beide gebruiken voor 'terugkeren'. 'Volver' is gebruikelijker en kan ook 'opnieuw doen' betekenen.

A2★★☆☆☆

vosotros vs ustedes

Vosotros = 'jullie' (informeel, alleen in Spanje). Ustedes = 'jullie' (formeel in Spanje, standaard elders).

A2★★★★☆

y vs e

Gebruik 'e' in plaats van 'y' wanneer het volgende woord begint met een 'i'- of 'hi'-klank.

A1★★☆☆☆

adjective after noun vs adjective before noun

Na = Objectief feit. Voor = Subjectieve mening.

A2★★★★☆

se pasivo vs se impersonal

Passief (Pasivo): Het werkwoord past bij het DING (enkelvoud/meervoud). Onpersoonlijk: Het werkwoord is altijd enkelvoud, gaat over MENSEN.

B1★★★★☆

Veelgestelde vragen over verwarrende Spaanse paren

Wat zijn de meest verwarrende woorden in het Spaans?

De meest verwarrende Spaanse paren zijn onder andere ser vs estar (zijn), por vs para (voor/door), saber vs conocer (weten/kennen), preterito vs imperfecto en pedir vs preguntar (vragen). Deze paren gebruiken verschillende woorden waar het Nederlands er maar één heeft, waardoor ze lastig zijn voor leerders.

Hoe stop ik met het verwarren van ser en estar?

Denk aan ser voor permanente, inherente eigenschappen (identiteit, afkomst, beroep) en estar voor tijdelijke toestanden, locaties en omstandigheden. Het ezelsbruggetje DOCTOR (Description, Occupation, Characteristic, Time, Origin, Relationship) voor ser en PLACE (Position, Location, Action, Condition, Emotion) voor estar kan helpen.

Wat is het verschil tussen por en para?

Para wijst vooruit naar doel, bestemming of ontvanger. Por wijst terug naar oorzaak, middel of ruil. Para beantwoordt 'waarvoor?' terwijl por beantwoordt 'waardoor?' of 'op welke manier?'

Hoe leer ik verwarrende Spaanse paren effectief?

Richt je op één paar tegelijk. Leer de kernregel, bestudeer contrastvoorbeelden die beide woorden in dezelfde context laten zien, oefen met quizzen en let op hoe moedertaalsprekers elk woord gebruiken. Onze vergelijkingstabellen en oefeningen zijn precies hiervoor ontworpen.